Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berghoogten, aan de zonnehitte blootgesteld, te zijn getrokken, op een schoonen lenteavond de heuvelen, beeken en tuinen rondom Damaskus, wederzagen. Arabische dichters hadden in alle tijden den lof gezongen van die schoone stad en de vreemdelingen hadden daarmede ingestemd. Maar wellicht zou de lofzang der Franken binnen een zeer korten tijd zwijgen. Want weldra zou het Oosten zijne meest karakteristieke hoedanigheden verliezen. Dan zou de ure der ontsluiering aanbreken. Dan zouden de Franken het geheimzinnig waas aan Damaskus ontnemen en 't bewijs leveren, dat alles niet meer was zooals voorheen; dat de bazaars hun roem hadden overleefd, dat de tuinen en parken leelijk waren; dat de hemel niet altijd blauw was. Zij zouden zegevierend spreken over het slechte water in de stadspompen; over den onaangenamen geur dien de stad in den nazomer uitademde; vooral in Augustus, de zoogenaamde rot-maand, als de vette aarde, die het eene geslacht voor en het andere na, steeds met afval van allerlei slag, zelfs met menschenvleesch en bloed, verzadigd had, stoofde. Die vreemdelingen zullen dan hunne geestigheid den kost geven ten opzichte van vroegere bewonderaars der stad, die nu lang dood zijn; zij zullen ook verhalen doen van strenge winters, toen de bedelaars met wonden van de kou aan de handen liepen; toen de sneeuw in zulk een groote menigte viel, dat van sommige bazaars de daken instortten. Maar nog was

ENDYMION. 8

Sluiten