Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om ons te benadeelen, zal onze vijanden vernietigen."

„Waarlijk, Emin ibn el-Arabi, gij zijt de ziel en wij allen zijn slechts de leden van onze partij!" juichte de jonge Ali, met geestdrift. En eerbiedig kuste hij Emin's hand.

Terwijl grootsche en waardige gedachten in deze plechtige ure Emin's hart en ziel vervulden, kwam het geen oogenblik in hem op, dat eene daad, zooals hij die nu op 't getouw wilde zetten, in werkelijkheid een gemeene diefstal met inbraak genoemd moest worden. Zoodra de Wachter der Leliën de lantaarn op zijn rug genomen en voor de noodige werktuigen gezorgd had, zooals hem door zijn meester was bevolen, togen Emin en hij naar den stal. De anderen volgden, éen voor éen, en met lange tusschenpoozen, 0111 niet in het oog te loopen.

Emin maakte zijn tulband los, trok zijn kaftaan uit en wees naar een ronden kuil in den grond. Hij gebood den wachter het zware ijzeren traliewerk, dat de zwarte opening dekte, van den kuil af te nemen.

De man gehoorzaamde aan het bevel; het kostte hem een groote inspanning, want lichamelijk werk was hem vreemd. Toen hij eindelijk na veel hijgen en zuchten en bespottelijke gezichtentrekken, den rooster van den kuil af gekregen had begon hij de olielamp in de lantaarn te poetsen.

„Toe. haast je wat!" vervolgde Emin. En daarna:

Sluiten