Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Emin gaf hem de lantaarn, die in den stal op den grond was blijven staan, in de hand.

Hij vroeg hem wat hij zag.

„Ik zie een lage, gewelfde gang."

„Goed. Die gang loopt uit in het groote, sedert lang niet gebruikte riool onder het smalle straatje. Daar moet je in!"

De wachter hief zijn donker gelaat, waarin het wit der oogen schitterde, smeekend tot Emin op. Deze bukte zich fluisterende:

„Nog zie ik je linker oor!"

Toen nam de wachter de lantaarn op, liet het licht voor zich uit schijnen en verdween, meer kruipend dan loopend.

Middelerwijle waren de twaalf uitverkorenen in den stal bijeen gekomen. Onrustig beschouwden zij Emin, die over den kuil gebogen stond, met zwarte randen onder de oogen, bleek, vermoeid, maar toch sprekend met een ernstige, bijna overdreven bedaardheid.

Het duurde lang eer de wachter weer opdook.

Eindelijk trilde een geelachtig licht op den bodem van den kuil, die aan een droge put deed denken.

„Wel hoe was het?" vroeg Emin, nog eer de Eunuque zichtbaar was.

Emin's lippen beefden en hij was bijna niet in staat om langer de angst die hem beklemde te beheerschen.

„Heer, het gewelfde riool is van zulke zware steenen

Sluiten