Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaveisels der straten en de riolen, waarin zij hun afvalsbakken ledigden, waren als voor de eeuwigheid gemetseld. De tijd had dikke lagen aarde over hunne bouwwerken gelegd en de tegenwoordige wereld bouwde weder nieuwe steden daar bovenop; maar zij boden toch weerstand aan de vergankelijkheid. Zij leefden in de diepte, onzichtbaar als de goden, om van tijd tot tijd weder uit het graf te herrijzen; te leeren; zich te laten bewonderen, breekijzer en bijl trotseerend.

Aldus sloot het groote, schoone, verhevene — die heerlijke oude kunst, — Emin den weg af, nu hij op het punt stond om zijn leven te wagen voor het Oosten/ voor het verootmoedigde, verkeerd begrepen, vrouwelijk zondigende, en vrouwelijk bekoorlijke kind der Oudheid.

Een Frank zou onder dergelijke omstandigheden in tranen zijn uitgebarsten; hij zou een eind van enkele meters heen en weer hebben geloopen en zich dan telkens weer met een zwaren vloek omgewend hebben.

Emin daarentegen ging stil zitten.

Hij ging hier, waar hij wist dat niemand hem gadesloeg, eenvoudig op den grond zitten, met de beenen kruiselings onder zich, zooals op een kussen in een koffiehuis. Hij bedekte zijn gelaat met de handen en zacht kreunend wiegelde hij langzaam voor-en-achteruit.

Na een poosje hoorde hij een eigenaardig geritsel, alsof lange nagels in een zak met droge kreeftschelpen

Sluiten