Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij ging op den grond liggen, haastig, bijna alsof hij gevallen was. Met bevende handen bracht hij de kruik aan zijn mond. Het water liep over zijn aangezicht. Het druppelde uit zijn baard over zijn vest, het vermengde zich met het roode steengruis op den grond en bevuilde zijne kleederen. Hij bleef drinken met lange, diepe teugen.

Ten laatste stond hij op. Een woeste begeerte welde er in hem op, om dien vermoeiden stumperds eene beleediging naar het hoofd te werpen; hen met hoonende scheldwoorden te straffen en de mannen aldus te prikkelen om hunne krachten opnieuw te beproeven. Maar hij had niet langer macht over zichzelf. Zijne tong was hard en zijn gelaat was als een strak masker. Hij had zijn vest opengescheurd, zijne borst ontbloot.

Hij greep een der breekijzers opnieuw vast. Voor een oogenblik werden de anderen medegesleept door zijne wanhoop. Zij spanden zich in tot het uiterste. Zij waren niet langer in staat geregeld en in de maat hun „Allah, Allah!" te roepen; zij schreeuwden woest door elkander.

Opeens hoorde men een doffen slag, als van een geweerschot.

De steen was in beweging gekomen. Alle voegen en scheuren waren duidelijker zichtbaar. Uit de opening vloog eéne wolk van stof.

Sluiten