Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De steen was ontwaakt na een slaap van tweeduizend jaren. Hij had geslapen, terwijl de personen der bijbelsche legenden door de straten van Damaskus hadden gewandeld; terwijl het Romeinsche Rijk in verval was geraakt; terwijl Tartaren, Arabieren, Turken en Christenen het zand boven deze gewelven met hun bloed hadden gedrenkt. Hij had geslapen, terwijl de Hoogeschool van Damaskus haar licht had laten schijnen en terwijl dit licht ten laatste in de pijp brandde, nuen-dan nog eens opflikkerend in een rooden, als door bloed gekleurden, doffen gloed. Hij had in een zwaren slaap gerust, ook toen de groote, de wetenschap minnende, jegens het volk vriendelijk gezinde vorsten, dood neervielen op dien met bloed gedrenkten bodem en toen de vernedering binnendrong door de poorten der stad.

De steen had zich bewogen, al was het maai' even. Hij was overwonnen. Hij was in hunne macht.

Toen Emin bij zonsondergang naar zijne woning terugkeerde, waren de beide pleinen stampend vol van menschen. Zijne kleederen zaten hem nog slordig aan het lijf. Hij deed onwillekeurig denken aan een knaap, die stilletjes aan een verboden streek in eene zandgroeve had meêgedaan. Maar zijne woorden klonken zoo bedaard en indrukwekkend, alsof zij gesproken werden door een man, die nooit vrees of angst gekend had:

Sluiten