Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een beeld van den Emin ibn el-Arabi, die naast haar stond. Daar rondom strekte zich de stad der tweehonderd-vierentachtig Moskeen met hare ringmuren uit, niet als een bont tapijt, maar als een in brand staand bosch. Er was een eindeloos chaos van koepels en minaretten, en van allerlei sierlijk gevormde, opwaarts strevende dingen. Zij had de gewaarwording dat zij haar oog naar het bord van een opgezet schaakspel had gericht en alsof zij van ter zijde een geheel leger van lijn afgewerkte schaakstukken zag. Op het émail der koepels en op de verguldsels der balconhekken glinsterden de schuine stralen als robijnen en granaten. Terwijl allengs de stad zelve in de duisternis lag, schitterden en gloeiden nog steeds de minaretten — die triomfkreten der Arabische bouwkunst.

Te midden van dit lichte tafereel verhief zich een Derwisch-klooster, met zwarte koepels, als in rouwfloers gehuld.

Rondom de stad vormden de door ontelbare stroompjes van de Baradas vochtig gehouden tuinen, een krans van frisch groen. Aan de eene zijde was de rood-achtig gele, sombere, kale Antilibanon zichtbaar; aan den anderen kant verdwenen de boomgroepen, langs de meest verwijderde bronnen, in de verlaten woestijn, die zich tot Palmyra en Bagdad uitstrekte.

Toen de onsterfelijke schilderes daarboven in den bergpas van den Antilibanon al hare kleuren en tinten

Sluiten