Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Doe dat niet, Heer; gij vernedert u; gij, onze aanvoerder ! Blijf hier in het gewelf en geef uwe bevelen, maar laat ons naar boven kruipen om de kist te halen."

Dus had Ali gesproken, terwijl hij zijn schoon, van aanbidding stralend gelaat tot Emin opheffende, een laatste poging waagde om zijn Meester terug te houden.

Emin antwoordde:

„In dezen nacht vernederd, zal ik morgen verhoogd worden. Maar je moogt mij vergezellen, Ali. Kom, en neem de lamp mede."

In elkander gedoken en voorzichtig vermijdende om tegen de steunpalen aan te bonzen of deze omver te stooten, begaven Emin en Ali zich in de nauwe gang. Toen zij de zwarte marmerplaat, die eene ruit in den vloer der kamer boven hunne hoofden vormde, bereikt hadden, legde Ali zich op den grond, op zijne ellebogen leunende en Emin klom op zijn rug. Hij schoof voorzichtig de plank, die van onderen tot steun tegen die plaat gezet was, een weinig ter zijde. Hierna deed hij een paar forsche slagen tegen de plaatt met zijne vuist. Spoedig liet zij los. Hij liet ze langzaam op zijne beide handen zakken en plaatste ze ten slotte op den grond bij de tegels die zij uit den grond hadden gegraven en op een stapel hadden gezet.

Op Ali's rug staande verhief Emin zich door de opening in den vloer als een fantastisch gekleed tooneelspeler door een valluik; als een uit zijn graf herrezen

Sluiten