Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De belachelijkste en meest geplaagde echtgenoot van de geheele stad; de in fez, zwarte jas en dito pantalon Turksch gecostumeerde, uitgedroogde kleine Kadi.

Allen stonden op en groeten weifelend maar onderdanig.

„God schenke u een gelukkigen nacht!" begon de Kadi. „Ik heb u iets belangrijks mede te deelen; er is groote haast bij."

„God schenke u een gelukkigen dag!" antwoordde Emin. Daarna: „Hoe is de staat van uwe gezondheid?"

„Slecht, zooals altijd. En de uwe?"

„Die is goed, God zij geloofd."

„Ja, God zij geprezen! God is groot!"

„Groot en goed!"

„Hoe is het met uw oogen, Emin? Zij zien er een weinig rood en vermoeid uit,"

„Ja ik ben zeer vermoeid. En uwe oogen, Effendi?"

„God is groot. Hij gunt mij nog het voorrecht van te kunnen zien."

„God is groot. Ja, Effendi, het genot van 't gezicht, het gehoor en den reuk — 't is alles zijne gave. Maar ga zitten, Effendi. Mijn huis is uw huis."

„God vermeerdere uwe bezittingen! Ik wil gaarne onder uw dak gaan zitten en van uwe, met recht beroemde gastvrijheid genieten."

Emin wist zeer goed, dat de Kadi in zijn hart een Oud-turk en zijne partij gunstig gezind, was; hij durfde

Sluiten