Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertalende. — „De dief en inbreker Emin ibn-el-Arabi zendt u zijne groeten; het doet hem van harte leed, niet van u en van mijnheer uw vader afscheid te kunnen nemen."

Dit was sedert lang voor den eersten keer dat Blumenbach Emin's naam in tegenwoordigheid van Nelly genoemd had.

Nelly stond stijf recht-op, midden in de kamer. Haar gelaat was zoo bleek als marmer. De spotachtige toon van Blumenbach hinderde haar nu evenzeer als zijn hardnekkig zwijgen over Emin gedaan had. Een overweldigende, onweerstaanbare begeerte maakte zich van haar meester om haar vader en Blumenbach en zichzelf te bewijzen dat „die Arabier" van dit oogenblik af, het voorwerp harer verachting was.

Zij antwoordde langzaam, met opzettelijke zelfkwelling op ieder woord afzonderlijk -nadruk leggend en meer op een onverschillig-hooghartigen toon dan bedroefd :

„Laat de neger aan zijn Meester zeggen dat, als deze zich hier vertoonde, de dienaren van het Consulaat hem de deur zouden uitzetten."

Toen de Eunuque vertrokken was, boog Blumenbach voor Nelly en Harven met de woorden:

„Laat ons nu aan tafel gaan. Zij staat sedert lang gedekt."

Sluiten