Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetsche verachting van blijdschap en rust. Over een paar jaren zal je bij ons, met een landgenoot, gehuwd zijn. Het is mogelijk, dat hij al een weinig door zijne haren zal zijn heengegroeid; dat hij een weinig „voorover loopt" en in stilte „een snuifje pakt," maar aangezien de man flink is en fortuin heeft, wordt op die bezwaren minder gelet. Op een achtermiddag, als je man naar t kantoor is, gevoel je lust aan de piano te gaan zitten en een stuk te spelen uit vroeger dagen; maar je durft niet, uit vrees dat de kleine, die de mazelen heeft en slapen moet, ervan wakker zou kunnen worden. Dan blijf je voor het venster staan; op de straat zien naar de menschen die, met van de koude paarsche aangezichten, op een drafje voorbij loopen, de handen in de zakken, en de jaskraag hoog opgezet. Denk op zulke oogenblikken aan het Oosten, en je zult, beter dan ooit te voren, het groot verschil inzien tusschen de kindsheid der menschelijke samenleving en haar ouderdom.

Als ik over dit onderwerp spreek, dan geraak ik in een onbeschrijfelijk weemoedige stemming. Het is niet genoeg, dat ik persoonlijk lijdende ben en oud. De geheele wereld is oud. Als ik menschen van twintigof dertig jaar bij ons te lande ontmoet, dan zie ik dat zij j°ng zijn; maar nauwelijks beginnen zij te praten ot er komt iets van oude mannen en vrouwtjes over hun geheele wezen. Als een hunner het spreekgestoelte

Sluiten