Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„te zorgen dat zij geen wonde aan arm of been bekomen door de „ruwheid der ouders, dan dat zij naar den geest niet worden „verwaarloosd en als redelooze dieren opgroeien, zichzelven en „der maatschappij tot een last, óók door de ruwheid der ouders?"*)

Het oogenblik voor het leveren van zulk een pleidooi scheen niet ongunstig inzóóver, als de herziening der schoolwet van 1806 in aantocht was. Alras bleek echter, dat noch de regeering noch de Tweede Kamer geneigd was er naar te luisteren. Terwijl de minister Van Reenen, in de memorie van toelichting op zijn eerste wetsontwerp, „betwijfelde of onder onzen staatsvorm „de ouders en voogden wel gedwongen konden worden, op „boete en lijfsdwang, hun kinderen en die, aan hun zorg toevertrouwd, onderwijs te doen geven", werd bij het sectie-onderzoek, èn van dit wetsontwerp èn van het tweede van denzelfden minister èn van het ontwerp van den minister Van Rappard, telkens door „de groote meerderheid" met nadruk verklaard, dat zij van wettelijken leerplicht niet weten wilde ").

Een poging, om dien te verkrijgen, werd dan ook bij de openbare beraadslaging over het wetsontwerp, hetwelk tot de schoolwet van 1857 heeft geleid, niet gedaan. Wel een poging om althans algemeen te maken wat reeds sedert lang bestond in onderscheiden provinciën. Het was de heer Blaupot ten Cate, die een amendement indiende tot invoering van schoolgeldplichtigheid d. i. de verplichting voor ouders van kinderen van zekeren leeftijd om het vastgestelde schoolgeld te betalen, ook al bezoeken de kinderen de school niet. Het doel $as hetzelfde, hetwelk met rechtstreekschen leerplicht wordt beoogd. Doch juist daarom vond het voorstel geen genade. In de vergadering der Tweede Kamer van 14 Juli 1857 werd het verworpen met 50 tegen 12 stemmen, nadat Thorbecke zijn stem verheven had om het te ontraden. „Men heeft de richting, die ik .voorsta" — zoo sprak hij — „niet zeldzaam aangevallen met groote „woorden, met hardklinkende verwijten; en daaronder behoorde „inzonderheid het verwijt, dat wij een staatsalvermogen willen. Zoo

*l Th. Van Swinderen: vEenige denkbeelden over school plicht igheixl en kosteloos onderwijsin de „Verzameling van stukken, betrekkelijk het hedendaaysch Onderwijzers-genootschap", 1849, blz. 198.

**) Zie de Bijlagen van de Handelingen der Tweede Kamer van 1854-55. 1855-56 en 185(i-57.

***) Art. 32 van het wetsontwerp luidde: „Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening der gemeente biyven, kan een bijdrage voor ieder schoolgaand kind worden geheven." Volgens het amendement zou, in plaats van „voor ieder schoolgaand kind", gelezen worden: „voor ieder kind tusschen den ouderdom van 6 en 12jaren." En dan verder: „Deze heffing heeft geen plaats ten opzichte van kinderen, waarvan bewezen wordt, dat zij geregeld huiselijk of bijzonder onderwijs ontvangen. Het bewijs daarvan moet worden geleverd aan het dagelijksch bestuur der gemeente, door de getuigenis, hetz\j van wijk- of buurtmeesters, hetzij van ten minste twee bekende en geloofwaardige mannen."

Sluiten