Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Copello zijn naam verbonden heeft? Er waren er, die het verwachtten; doch zij werden teleurgesteld. „De staat" — zoo schreef die staatsman in de memorie van toelichting *) — „heeft het on.wedersprekelijk recht den vader te straffen, die zijn ouderlijken .plicht verzuimt en daardoor tegelijkertijd èn het kind benadeelt èn .schade toebrengt aan de burger-maatschappij, welke er belang bij .heeft, dat haar leden behoorlijk onderwijs genieten. De regeering „zou dan ook geen oogenblik aarzelen den beslissenden stap te doen, „indien zij slechts met ouderlijke plichtverzaking te doen had. Doch .de staat heeft niet het recht aan de ouders de keuze der school te „ontnemen, en zoolang dus de tegenstand tegen de openbare school .gaande wordt gehouden, moet van het nemen van afdoende maat.regelen worden afgezien. Wel zijn de denkbeelden sinds 1857 voor.uitgegaan, doch tevens zijn de felheid, waarmede het karakter der „staatsschool bestreden wordt, en de bitterheid, waarmede men de „ouders tegen haar in het harnas jaagt, te zeer toegenomen, dan dat „men de bezwaren, toen onoverkomelijk geacht, reeds als overwonnen „zou mogen beschouwen."

Die bezwaren mochten geacht worden althans voor een groot deel hun beteekenis te verliezen en, voorzoover zij bleven bestaan, door een milde regeling geheel uit den weg te kunnen worden geruimd, wanneer de oprichting en het bestaan van bijzondere scholen door geldelijke bijdragen uit 's rijks schatkist vergemakkelijkt werden. Toen dan ook het ministerie-Mackay ten jare 1889 een herziening der wet op het lager onderwijs aanhangig gemaakt, maar daarin den leerplicht niet opgenomen had, werd een amendement ingediend om althans het beginsel in de wet neer te schrijven en de uitwerking ervan aan een nadere wettelijke regeling voor te behouden ")• Doch dit stuitte aan de regeeringstafel en bij de haar volgende meerderheid der Tweede Kamer op beslist verzet. Weliswaar verklaarde de minister Mackay nadrukkelijk, dat „de regeering tegen leerplicht geen principieel bezwaar had"; maar hij geloofde niet, dat „die kwestie paste in het kader der in behandeling zijnde wet", en oordeelde, dat „het beter was, als men den leerplicht wenschte te regelen, dit te doen bij een afzonderlijk wetsontwerp". Daarom kon hij „de aanneming van het voorgestelde amendement niet aanbevelen,

* Bijlagen van de Handelingen der Ticeede Kamer, 187 <-78.

Het amendement — voorgesteld door de heeren Goeman Borgesius, Dijekinooster, Gleichman, Goekoop, Hartogh, Heldt, Keraijk. Van Kerkwijk, Koijaards van den Ham en Zaajjer strekte om in een nieuw art. 3a te bepalen: ..Ouders ot voogden zijn verplicht hun kindereu of pupillen lager onderwijs te doen genieten naar de regelen in de wet omschreven : en om voorts in een later artikel voor te schrijven: „Vóór 1 Januari 1S93 wordt door Ons de wettelijke regeling, bedoeld in art. :!«, bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig gemaakt."

Sluiten