is toegevoegd aan uw favorieten.

De leerplichtwet (wet van 7 juli 1900, staatsblad no. 111) en de daarbij behoorende uitvoerings-maatregelen, met aantekeningen ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen regeering en staten-generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja meende hij de indiening ervan te moeten betreuren". Principieel scheen hij zóó beslist aan de zijde der voorstanders van den begeerden maatregel te staan, dat hij de intrekking van het amendement in overweging gaf op dezen grond: „wanneer men eenmaal een stemming „uitlokt, en het wordt afgestemd, dan zou men licht kunnen meenen, „dat nu uitgemaakt is, dat de meerderheid tegen het beginsel van .leerplicht zich heeft verklaard" *). De voorstellers gaven aan dien wenk geen gehoor; doch hun voorstel werd verworpen met 46 tegen 38 stemmen.

Het was een zuivere stemming van rechter- tegen linkerzijde, waarbij deze laatste in al haar schakeeringen voor den wettelijken leerplicht gewonnen bleek. Geen wonder daarom, dat, na de algemeene verkiezingen van 1891 en na het optreden van het kabinet, waarin de heer Tak van Poortvliet met de leiding van het departement van binnenlandsche zaken was belast, de troonrede van dat jaar de toezegging bracht, dat ,wettelijke bepalingen omtrent den leerplicht zouden worden voorgedragen". De loop der politieke gebeurtenissen verhinderde echter het voldoen aan die toezegging. Wel werd een daartoe strekkend wetsontwerp samengesteld en bij den Raad van State ingezonden; doch de uitslag der algemeene verkiezingen in 1894, na de ontbinding der Tweede Kamer ter zake van het kiesrechtvraagstuk, noopte het toenmalige ministerie tot aftreden, zonder zijn taak te hebben volbracht.

Deze werd weder opgevat door het huidige kabinet: de troonrede van 1897 behelsde dezelfde aankondiging als die van 1891. En ditmaal niet vruchteloos. Bij koninklijke boodschap van 14 Maart 1898 werd een wetsvoordracht, houdend wettelijke bepalingen tot regeling van den leerplicht, bij de Tweede Kamer ingediend met een memorie van toelichting, onderteekend door den minister Goeman Borgesius.

Het werd op 5 en 6, 10 en 11 Mei van hetzelfde jaar in de afdeelingen onderzocht, nadat tot leden der commissie van rapporteurs waren benoemd de heeren Kerdijk, de Savornin Lohman, Smidt, Drucker en Vermeulen. Daarop volgde, bij memorie van antwoord, een gewijzigd wetsontwerp, hetwelk de commissie van rapporteurs, dewijl het van het oorspronkelijke in opzet en uitwerking belangrijk afweek, noopte een nieuw onderzoek in de afdeelingen in overweging te geven; welk voorstel den 15den Maart 1899 door de Kamer werd aangenomen. Dientengevolge had dit tweede onderzoek plaats op 26 en 27 April. Terwijl daarna door de regeering, bij tweede memorie van antwoord, in het wetsontwerp nog enkele veranderingen werden

*) Handelingen der Ticeede Kamer, 1888-89, blz. 1876, en 1889-90, blz. 46-47.