Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WET VAN DO ?den JULI 191)0 (STAATSBLAD N°. III),

houdende bepalingen tot regeling van den leerplicht.

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.,

enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, door wettelijke bepalingen tot beteugeling van het school- en leerverzuim en tot verzekering van de gelegenheid om herhalingsonderwijs te ontvangen, te bevorderen, dat kinderen behoorlijk lager onderwijs genieten;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

„en tot verzekering van de gelegenheid 0111 herhalingsonderwijs te ontvangen". Nadat wèl was aangenomen art. 84, voorschrijvend dat aan hen, die liet gewoon lager onderwijs genoten hebben, de gelegenheid moet worden gegeven tot het genot van herhalingsonderwijs, maar verworpen was art. 35 van het wetsontwerp, krachtens hetwelk de leerplicht óók dit herhalingsonderwijs zou omvatten, zijn de aangehaalde woorden ingelascht, ten einde de beweegreden der wet in overeenstemming te brengen met haar inhoud. (Hand. II, blz. 1329.)

Sluiten