Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 2 en 3.

te worden gesteld. (F. V., blz. 21.) — Aan dien wenscli is de regeering: in het gewijzigde wetsontwerp tegemoet gekomen door de bepaling, zooals zij thans luidt.

De heer Loeff vroeg, hoe de .twee achtereenvolgende maanden" zijn op te vatten. Zóó, dat er een schakel wordt gelegd tusschen alle opvolgende maanden, in dier voege dat elke tweede maand van «en tweetal wederom wordt de eerste van het volgende tweetal? Of zóó, dat elk tweetal maanden op zichzelf staat? — Het antwoord van den minister luidde: men moet de bepaling zóó verstaan, alsof er stond: twee verzuimen per maand, en alsof die maand uit 60 dagen bestond. De twee achtereenvolgende maanden vormen een afgesloten geheel. Zijn de 60 dagen voorbij, dan begint weer een ander tijdvak van 60 dagen. — Naar aanleiding hiervan vroeg nog de heer Van G i 1 s e, of bedoeld worden kalender-maanden, dan wel tijdperken van telkens 30 dagen, onverschillig met welken datum men begint te tellen. Doch deze vraag bleef onbeantwoord. (Hand. II, blz. 1145-47.)

Valt in de twee maanden een vacantie, dan mag toch gedurende de schooldagen in die twee maanden een verzuim van twee schooltijden plaats hebben. (2* M. c. A., blz. 79.)

Derde lid.

,de vakken, genoemd onder a-g in artikel 2 der wet tot regeling van het lager onderwijs". Omtrent het weglaten der vakken i-k zie men het hiervoren bij het tweede lid aangeteekende. Het daar vermelde geldt in nog hooger mate voor huisonderwijs.

De weglating van vak h is noch toegelicht noch besproken. De reden is klaarblijkelijk, dat het zingen, zooals dit op de school wordt bedoeld, zich voor huisonderwijs niet leent; terwijl bovendien mag worden aangenomen, dat kinderen, die dit genieten, wel zangonderwijs in anderen zin zullen ontvangen, voorzoover zij daarvoor aanleg bezitten.

„in verband met een goeden leergang". Deze woorden zijn in het gewijzigde wetsontwerp ingelascht ter tegemoetkoming aan de bedenking (F. F, blz. 14), dat volgens de letter van het oorspronkelijke artikel geëischt zou kunnen worden, reeds aan kinderen van zes of zeven jaren alle vakken te onderwijzen. <2e M. v. A., blz. 79.)

Artikel 3.

De verplichting om, voor zoover aan schoolonderwijs de voorkeur gegeven wordt, te zorgen, dat het kind op eene lagere school wordt geplaatst, vangt aan uiterlijk, zoodra het den leeftijd van zeven jaren heeft bereikt.

Deze verplichting eindigt, zoodra het kind zes jaren leerling eener lagere school is geweest en het alle klassen doorloopen heeft, of, voor zoover het onderwijs gegeven wordt in klassen, die samen een langeren leertijd dan zes jaren innemen, zoovele klassen, als samen

Sluiten