Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

van een der in dit artikel omschreven omstandigheden, wettelijke vrijstelling kan doen gelden ten aanzien van liet bezoeken eener lagere school, nimmer verplicht kan worden, zijn kind huisonderwijs te doen genieten. (2e M. r. A., blz. 80.)

Onder 1°.

Het begrip vaste woonplaats" is, voor de toepassing dezer wet, nader omschreven in art. 8. Daaruit blijkt, dat liet woord „woonplaats hier niet in juridischen zin gebezigd is. (V. V. blz. 22.)

Waar ouders, voogden of andere verzorgers een zwervend leven leiden, zijn zij niet in de mogelijkheid, de kinderen onderwijs te doen genieten. Er zijn echter weinigen, die het geheele jaar rondzwerven. De meesten gaan in den winter ergens vast verblijf houden, hetzij dat zij een woning betrekken, hetzij dat zij op hun vaartuig, hetwelk \ooi woonverblijf is ingericht, eenige maanden op een bepaalde plaats overwinteren. Blijven zij langer dan vier weken in een zekere gemeente [zie art. 8], dan is er geen reden om hen van de in art. 1 opgelegde verplichting vrij te stellen. (M. v. 7'., blz. 11.) ...

Onder de rubriek dier zwervers vallen b.v. kermisreizigers, die niet hun kramen en tenten van de eene plaats naar de andere trekkeii en overal slechts eenige dagen vertoeven. In Frankrijk heeft men de proef genomen met zoogenaamde kerniisscholen, die de kennisbevolking volgen en nu hier, dan daar worden opgeslagen: maar de resultaten schijnen niet beantwoord te hebben aan de bezwaren en kosten, die aan zulk onderwijs verbonden zijn. (M. r. t. a. p.) Men meende echter, dat zulke scholen wel degelijk nut stichten, en wenschte in de wet een bijzondere bepaling te zien opgenomen tot subsidieering van verplaatsbare scholen, die thans, omdat zij niet in allen deele kunnen voldoen aan de administratieve voorschriften, geen rijksbijdrage kunnen krijgen en geheel aan het particulier initiatief worden overgelaten. (V.V. blz. 22.) — De regeering antwoordde, zonder het subsidieeren van verplaatsbare scholen in beginsel af te keuren, dat een dergelijke regeling in deze wet niet tehuis behoort. (M. v. A., blz. 39.)

Tot degenen, die in den regel een vaste woonplaats missen, behooren ook de schippers. Zij zullen van den leerplicht vrij zijn gedurende den tijd, dat zij varen, maai' [ten gevolge van art. 8[ niet gedurende den tijd, dat zij met hun schip dikwijls maandenlang in een haven liggen. Intusschen mag voor hun kinderen meer dan van leerplicht verwacht worden van het particulier initiatief. De bekende vereenigingen voor schipperskinderen hebben reeds haar beschermende hand uitgestrekt over honderden, die, terwijl hun ouders varen, op kosten van de vereeniging worden verpleegd en onderwezen. De regeering was voornemens een crediet aan te vi ageu ), ten einde deze vereenigingen ook door rijksbijdragen in staat te stellen, in nog ruimer mate in dezen kring der bevolking kennis te verspreiden. (M. r. T., t. a. p.) — De noodzakelijkheid werd bepleit van speciale bepalingen, o. a. hierin bestaande, dat schippei skinderen en

•) Dit is geschied hy de staatsbegrootiHg voor 1900. De toegestane post 141e van hoofdstuk V dier staatsbegrooting luidt: „subsidiën aan vereenigingen tot bevordering van het geregeld schoolbezoek van schipperskinderen f3000."

Sluiten