Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

dergelijken, ter plaatse waar zij vertoeven, niet meetellen onder de ingeschreven kinderen, bedoeld in art. 24 der wet op het lager onderwijs *): men kan niet vergen, dat de besturen van gemeenten en van bijzondere scholen zich voor tijdelijke scholieren extra-kosten getroosten, en het zal niet schaden, als de klassen enkele maanden overvol zijn. (V. V., t. a. p.) — Het antwoord luidde, dat bij de aanstaande herziening der wet op het lager onderwijs zal worden nagegaan, inhoever het mogelijk is zulke bepalingen op te nemen. (M. v. A., t. a. p.)

Door de lieeren Van Kol, Schaper en Troelstra werd voorgesteld, op art. 7 te laten volgen een nieuw art. 7Ws, luidend: „In het onderwijs van kinderen, bedoeld in art. 7 sub 1», zal worden voorzien bij algemeenen maatregel van bestuur." Er is, zeide de heer Troelstra, misschien geen categorie van kinderen in ons land, die zóó ten prooi zijn aan verwaarloozing en van wier jeugdige kracht zóóveel misbruik wordt gemaakt voor den arbeid, die zóó herhaaldelijk verkeeren in een milieu van onzedelijkheid, als juist de kinderen dier ouders, die den eenen dag hiér en den anderen dag daar zijn. Het is noodig, in de wet den grondslag te leggen voor een voorziening in het onderwijs, aan die kinderen te geven. Met opzet echter kwamen de voorstellers niet met een uitgewerkt voorstel, inhoudend op welke wijze en in welken omvang de regeering het onderwijs voor schippers- en kramerskinderen zou moeten regelen. Zij kan nader de zaak bestudeeren; nagaan wat zij uit eigen initiatief zal moeten doen, welke vereenigingen door subsidie zouden kunnen worden gesteund. Zij is geheel vrij in de wijze, waarop zij meent dat deze zaak kan worden uitgevoerd, en zal ieder jaar, bij de behandeling der staatsbegrooting, de volksvertegenwoordiging in de gelegenheid kunnen stellen om de wijze, waarop zij zich van haar last kwijt, te beoordeelen en de credieten toe te staan in die mate, als zij zal meenen te behooren. — De minister stelde in het licht, dat hij met betrekking tot dit onderwerp op hetzelfde standpunt stond als de spreker, maar vroeg juist daarom: heeft de regeering, die toont van het groote belang der zaak ten volle overtuigd te zijn, zulk een stimulans, als liet amendement beoogt, wel noodig ? Anderzijds merkte hij op, dat, als er een minister komt, die geen hart heeft voor de zaak, ook de voorgestelde bepaling dezen niet kan dwingen, haar ter hand te nemen. Daargelaten dat het artikel in allen gevalle een redactie-wijziging zou moeten ondergaan, was zijn slotsom : het ontwikkelde denkbeeld had zijn volle sympathie; werd een dergelijke bepaling aangenomen, dan zou zij voor de regeering een prikkel te meer zijn om in die richting krachtig werkzaam te zijn; maar hij achtte voor het oogenblik geen prikkel noodig. — De commissie van rapporteurs, (ofschoon op den voorgrond stellend, dat door haar evenmin miskend werd het gewicht van het onderwerp, als dat bij haar ontbrak sympathie voor maatregelen om te dezen opzichte in de nooden te voorzien) ontraadde de aanneming van het voorstel op de volgende gronden: een regeling als deze is op haar

*) Dit artikel regelt de verplichte verhouding tusschen het getal der onderwijzers en het aantal der schoolgaande kinderen.-

Sluiten