Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

in de school behoorlijk vervullen. (F. 7., blz. 11.) — I>at dit laatste het geval zon worden, en dat men de bepaling zou kunnen aangrijpen om te trachten, liet ontslag te provoceeren van een onderwijzer, met wiens meeningen op politiek of sociaal gebied men zich met vereemgt, vermocht de regeering niet in te zien. Reeds daarom met, omdat zij een combinatie van ouders, die besluiten hun kinderen geheel van onderwijs verstoken te laten, in de hoop daardoor op den duur liet ontslag van een zekeren onderwijzer uit te lokken, ondenkbaar achtte. Maar ook niet om deze reden, dat volgens de wet niet wordt opgegeven ot medegedeeld, waarin het overwegend bezwaar bestaat. Indien een vader de verklaring aflegt, in art. 10 omschreven, dan krijgt lnj de vereisclite vrijstelling, zonderdat hem gevraagd wordt, waarin zijn overwegend bezwaar gelegen is. Het is van het grootste belang, dat daarop geen inbreuk worde gemaakt: het is het eenige middel om alles, wat op inquisitie gelijkt, te vermijden. Overigens kon de regeering aan het geuite verlangen, van .overwegend godsdienstig bezwaar' te spreken, met voldoen, omdat de regeling daardoor in strijd zou komen met het beginsel: gelijk recht voor allen \1 zullen de bezwaren zeer stellig grootendeels zijn van godsdienstigen aard. er is toch geen aanleiding om andere bezwaren als ongegrond uit te sluiten. Indien een vader voor zijn kind alleen plaats kan vinden op een bijzondere kerkelijke school, kan hij daartegen bezwaren hebben op grond van beslist anti-godsdienstige gevoelens. Dat bezwaar te eerbiedigen, zou ook wel de bedoeling zijn van hen, die een wijziging der redactie in overweging gaven; maar hoe zou liet dan te verdedigen zijn. geen rekening te willen houden b.v. met de bezwaren van een socialistischen vader, die zóózeer aan het socialisme gehecht is, dat hij liever zijn kind van onderwijs verstoken laat, dan het toe te, vertrouwen aan de school, waar geen socialistische leerstellingen worden verkondigd? (M. c. A., blz. 20 j — Op de opmerking, bij het tweede onderzoek in de afdeelingen gemaakt (2? V. 7. blz. 67), dat het bij de woorden „tegen het onderwijs" onzeker is, of hij, die overwegend bezwaar heeft tegen den persoon van den onderwijzer, zich gerechtigd kan achten tot het afleggen der in art. 10 bedoelde verklaring, antwoordde de regeering: de persoon hangt hier nauw samen met zijn onderwijs. (2e M. v. A., blz. 80.)

In verband met het bovenstaande, werd door den heer Ketelaar voorgesteld, achter „overwegend" in te lasschen: godsdienstig . Reeds bij de algemeene beraadslaging (Hand. II, blz. 1017,) hau hij bestreden 's ministers meening, als zou ondenkbaar zijn een samenspanning tusscken zekere partijen en de verschillende ouders, omdat zij tegen de beginselen van een bepaalden persoon gekant zijn, met het doel de kinderen uit de school te houden. Thans vond hij te meer aanleiding om zijn amendement in te dienen, omdat hij toen te vergeets liad aangedrongen op een pertinente verklaring, dat het met te doen is om de beginselen van den onderwijzer, maar alléén om de beginselen, die in zijn onderwijs doorstralen. Hij vreesde, dat. zonder de door hem gewenschte bijvoeging, niet alleen in aanmerking zou komen het onderwijs van den onderwijzer in de school, maar óók b.v. diens politieke overtuiging buiten de school beleden, en dat aldus de positie van den

Sluiten