Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10.

en beschouwd als een ergerlijke inmenging in het ouderlijk gezag: wie bezwaar heeft tegen het onderwijs op zekere school, is daarom nog niet bereid te verklaren, dat hij zijn kind liever van onderwijs verstoken laat, dan het aan die school toe te vertrouwen; er moest niet meer gevergd worden dan een verklaring, dat men tegen het onderwijs op de beschikbare scholen overwegend bezwaar lieett. Ook kwam men met nadruk op tegen de bevoegdheid, aan het schooltoezicht verleend: de hier toegekende discretionaire macht zou öf onuitgeoefend blijven, èf tot inquisitie leiden. (F. F. blz. 11.) — De regeering betuigde, in antwoord hierop, dat zij, in plaats van de naar haar meening zeer onbillijke critiek, veeleer de erkenning had verwacht, dat van de zijde der voorstanders van het bijzonder onderwijs het voornaamste bezwaar tegen de invoering van leerplicht was vervallen, nu de bepalingen waren ontworpen in dien geest, dat zij, die ernstig bezwaar hebben tegen een zekere school, vrij kunnen komen van de verplichting hun kind daarheen te zenden, ook al zijn zij buiten de mogelijkheid het op een andere school of tehuis onderwijs te doen genieten. Met de bloote verklaring, dat men tegen het onderwijs op de beschikbare scholen overwegend bezwaar heeft, kon de regeering geen genoegen nemen, omdat het zeer gewensclit is, dat de ernst en liet hooge gewicht der af te leggen verklaring duidelijk worden gevoeld, en omdat het anders zou kunnen voorkomen, dat een vader een verklaring van overwegend bezwaar inzond, maar dat men op de vraag, of hij zijn kind dan liever van onderwijs verstoken wilde laten, ten antwoord kreeg; „ iieen zeker niet, dat heb ik zoo niet bedoeld", ofschoon het toch feitelijk daarop zou neerkomen. Nog meer had de regeering zich verbaasd, dat de voorgestelde verklaring niet alleen draconisch, maar ook een ergerlijke inbreuk op het ouderlijk gezag was genoemd; want de bepaling moest juist dienen, om alle inbreuk op dat gezag te voorkomen: zij heeft geen andere strekking, dan het mogelijk te maken, dat ouders hun kinderen niet behoeven te zenden naar een school, die zij verderfelijk achten. Ook kon de regeering in geenen deele toestemmen, dat de hier toegekende macht öf onuitgevoerd blijven öl tot inquisitie leiden zou: niet alleen omdat in de practijk ook tusschen de voorstanders van het bijzonder onderwijs en het schooltoezicht een goede verhouding pleegt te bestaan, en men met grond verwachten mag, dat dit laatste ook deze bepaling met de meeste welwillendheid zal toepassen, maar vooral omdat de regeling zóó is. ontworpen, dat het schooltoezicht zooveel mogelijk aan vaste regelen gebonden wordt. Staande voor het dilemma, èf de wettelijke voorschriften meer inquisitoriaal te maken, öl de vrijheid zoo weinig mogelijk te belemmeren, op het gevaar at dat er vooral in den eersten tijd wel eens op ruimer schaal vrijstellingen zullen worden verleend dan met de bedoeling der voorschriften is overeen te brengen, heeft de regeering aan dit laatste de voorkeur gegeven, omdat zij het haar plicht achtte de wet zóó in te richten, dat van heropening van den schoolstrijd geen sprake behoeft te zijn. en dat ernstige gemoedsbezwaren volkomen tot hun recht kunnen komen. (M. v. A., blz. 19-20.) — Intusschen zijn dooi' de regeering in haar oorspronkelijk voorstel enkele wijzigingen gebracht, waardoor de reg'eling nog milder werd. — Bij de algemeene beraadslaging erkende de heer Schaepman,

■3

Sluiten