Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10.

Derde lid.

Dus alléén in het liier omschreven geval mag de schoolopziener zijn medewerking weigeren. Hiervoor is noodig liet samengaan van twee omstandigheden: 1°. moet het kind gedurende het jaar, voorafgaande aan de dagteekening der verklaring, geplaatst zijn geweest op de school of een der scholen, waartegen bezwaar wordt gemaakt; en 2°. moet de schoolopziener overtuigd zijn, dat geen ernstig bezwaar tegen het onderwijs, maar een andere reden tot aanvraag om vrijstelling heeft geleid. Is echter het een en het ander het geval, dan moet de schoolopziener zijn medewerking weigeren.

.gedurende het jaar", enz. Het beroep op deze vrijstelling moet niet geoorloofd zijn. indien het geschiedt onder zoodanige omstandigheden, dat er alle reden is om te vermoeden, dat het bezwaar als voorwendsel wordt gebruikt. En dit is het geval [althans is er reden voor het onderzoek door den schoolopziener, verder in dit lid bedoeld], indien het kind nog kort te voren op de school in kwestie geplaatst is geweest. (M. v. T.. blz. 12.)

.en hij overtuigd is, dat geen ernstig bezwaar tegen het

onderwijs tot aanvraag om vrijstelling heeft geleid".

Aanvankelijk heette het: ..en hij niet overtuigd is, dat een ernstig bezwaar", enz. Door de redactie-wijziging is het nog duidelijker geworden, dat het er alleen om te doen is, een aanvrage om vrijstelling slechts dan ongegrond te verklaren, indien blijkt, dat het bezwaar als voorwendsel wordt aangegrepen. (2? M. v. A., blz. 80.)

,maar eene andere reden". Deze woorden zijn er bijgevoegd ten gevolge van een, door den minister overgenomen amendement van den heer Schaepman, strekkend om twistgedingen over gemoedsbezwaren te voorkomen. — De minister geloofde niet, dat door de bijvoeging de zin van het artikel afwijkt van den gedachtengang, die hem bij het neerschrijven der bepaling had geleid. Hij had vroeger reeds gezegd, dat hij geen beoordeeling van gemoedsbezwaren door den schoolopziener wensciite; het slot van het derde lid is alléén opgenomen ten einde tegen misbruik te waken, opdat (als ernstig vermoeden aanwezig is, dat het gemoedsbezwaar slechts als voorwendsel wordt gebruikt om van het onderwijs vrij te komen en b. v. de kinderen te laten arbeiden) er alsdan een middel in de wet zij om te kunnen zeggen: zoo laat ik mij niet beetnemen. Ook in 's ministers gedachtengang moet de schoolopziener alleen dan weigeren, als hij overtuigd is, dat niet ernstig bezwaar tegen liet onderwijs, maar een andere reden den vader heeft bewogen vrijstelling te vragen. {Hand. II., blz. 1166.)

Vierde lid.

„onmiddellijk". De regeering had bezwaar om, overeenkomstig een kenbaar gemaakten wensch (F. T'., blz. 24), dit woord |gelijk eveneens ditzelfde woord of het woord „onverwijld" in de artt. 13, 20 en 211 door een bepaalden termijn te vervangen. Wanneer men voorde

Sluiten