Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 12

Bestreden werd het: door den lieer Tydeman. die het geldelijke belang der onders niet zoo gering telde als de voorsteller, maar die vooral uit het oogpunt van goeden legislatieven arbeid bezwaar had tegen het amendement, als tehuis behoorend in de Arbeidswet; door den heer de Waal Male fijt, die zich bij deze meening aansloot; door den heer Boessingli. die de uitzondering onmisbaar rekende wegens de tijden, waarin het op het veld zóó druk is, dat alle handen, welke kunnen worden gebruikt, dus ook die van het schoolkind, te hulp geroepen worden, al is het niet voor den arbeid zelf, dan om in huis handen vrij te maken; door den heer P ij n a p p e 1, wiens bedenking was, dat liet amendement de geheele bepaling schrappen wilde, zonder eenige onderscheiding te maken; door den heer K e r d ij k, die, hoewel door het regeeringsvoorstel geenszins bevredigd en pleitend in den geest van hieronder te vermelden amendementen van den heer Ketelaar op de artt. 13 en 15, zijn stein motiveerde uitsluitend op dezen grond, dat de aard van liet bedrijf en de wijze, waarop het wordt uitgeoefend, bijwijlen en in sommige streken óók de hulp van kinderhanden tijdelijk noodzakelijk maken, dewijl er alsdan geen volwassen arbeidskrachten te krijgen zijn in toereikende mate en de natuur geen wachten met het werk gedoogt*); door den minister, die. in gelijken geest sprekend en de noodzakelijkheid tot zekere hoogte betoogend van hetgeen ook naar zijn oordeel een kwaad was, bovendien de overtuiging uitsprak, dat 'een wet op den leerplicht, zal zij goed werken en goed worden uitgevoerd, zóó moet zijn ingericht, dat zij niet te veel indruischt tegen bestaande gewoonten en rekening houdt met feitelijke toestanden. Daarentegen werd liet amendement verdedigd: door den heer Kool, die de verdiensten van de kinderen voor de ouders van niet zooveel beteekenis achtte, en meende, dat de landbouw zich desnoods met den arbeid van vrouwen, in de eerste plaats van ongehuwde, helpen kan: door den heer Z ij 1 m a, die wèl genegen was tijdelijk verzuim mogelijk te maken ten behoeve van huiselijke diensten in liet gezin, opdat de moeders in den druksten tijd, als het werk overvloedig is en de loonen hoog zijn. kunnen meedoen, maar die ontkende, ten opzichte van den graanbouw uit eigen ervaring, dat de landbouw en aanverwante bedrijven het zonder kinderarbeid haast niet stellen kunnen; door den lieer Troelstra, die er klem oplegde, dat het slechts liep over 10 tot 12jarigen, wel niet meer dan 75.000 in getal, wier hulp voor den landbouw toch waarlijk niet onmisbaar is te achten, en die er voorts op wees, dat in bijzondere gevallen, b.v. in de door den heer Zijlma bedoelde, de .andere ernstige omstandigheden"

*) De heer Kerdy k stelde bovendien in het licht, dat het niet stond tusschen hetgeen de voorsteller wilde en den thans bestaanden toestand, maar dat ook bij aanneming van het regeeringsvoorstel, ofschoon dit ook naar zü" meening niet ver genoeg ging, veel zal zyn gewonnen. Vooreerst omd.it de bepaling van art. 13. volgens welke de vergunningen aUéén kunnen worden verleend voor kinderen, die in de laatste zes voorafgegane maanden geregeld de school hebben bezocht, gunstigen invloed oefenen zal op het schoolverzuim te platte lande in het algemeen. Voorts omdat althans een einde zal komen aan het schoolverzuim wegens veldarbeid van kinderen beneden 10 jaren; een verzuim, dat veel grooter is, dan sommigen wellicht meenen. Eindelek omdat zullen ophouden de waarlijk niet zeldzame, maar integendeel talrijke gevallen, waarin het schoolverzuim in het voorjaar of den vroegen zomer begint en tot het late najaar voortduurt.

Sluiten