Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 12.

van art. 12 onder 5°. dienst kunnen doen; door den lieer Van Gilse. naar wiens oordeel in de behoefte kon worden voorzien door doelmatige toepassing van art. 21 der wet op het lager onderwijs in zake vacantiën. terwijl dat artikel bij de aangekondigde herziening (lier wet, voorzoover noodig, nog kon worden uitgebreid: door den heer Bet haan Macaré, die het bewijs van de noodzakelijkheid der uitzonderings-regeling niet geleverd achttej door den heer Pyttersen, die evenmin geloofde aan de onmisbaarheid van kinderarbeid; door den voorsteller, die de verwijzing naar de Arbeidswet afwees als een exceptie, wel erkende dat ook door het regeeringsvoorstel de bestaande toestand onderbroken zal worden, maar beweerde dat daarom juist, hetgeen hij wilde, zoo geiang was in verhouding tnt hetgeen toch reeds veranderen zal. terwijl hij er op drukte, dat, indien men te rade moest gaan met bestaande toestanden en behoeften, men nooit tot ingrijpen zal komen, en alle slechte toestanden steeds zullen blijven voortduren. — De heer K e r d ij k betwistte nog de logica, als zou men, 7 tot 9jarigen buiten de uitzondering latend ten einde een kwaad althans zooveel mogelijk te verwijderen, nu ook het kwaad gehéél zou moeten uitsnijden, al meent men dit wegens de harde noodzakelijkheid ervan niet te kunnen doen. Hij wees er bovendien op, dat bij toepassing van het denkbeeld van den heer Van Gilse, om enkel door regeling der vacantiën in de behoefte te voorzien, niet zou verkregen worden het voordeel van het regeeringsvoorstel, volgens hetwelk de vergunningen gebonden zijn aan de voorwaarde van voorafgegaan geregeld schoolbezoek van het kind. — Ten slotte werd het amendement verworpen met 69 tegen 30 stemmen. {Hand. II., blz. 1172-1205.)

„ten behoeve van". In het wetsontwerp, zooals het in openbare beraadslaging kwam, stond hier: „op grond van": in art. 13 daarentegen: „ten behoeve van". Deze laatste woorden staan thans ook in dit artikel ten gevolge van een amendement van den heer Roessingh, die wilde voorkomen, dat, met een beroep op het zijns inziens engere .op grond van", de vergunning geweigerd zou worden voor een leerling, die niet zelf werkzaamheden in het bedrijf verricht, maar thuis blijft ter bewaking van jongere kinderen of tot het bewijzen van kleine huiselijke diensten, om de moeder of oudere zuster of iemand anders in de gelegenheid te stellen, werkzaamheden in het bedrijf te verrichten. — Of intussehen de vergunningen werkelijk ook voor dit geval gegeven moeten worden, is bij de beraadslaging niet tot klaarheid gebracht. Weliswaar oordeelde de m i n i s t e r, dat het zelf-gaan-werken en het thuisblijven, opdat b.v. de moeder naar het veld kunne gaan, moeilijk van elkaar te scheiden zijn: den eenen dag zal het kind naar het veld gaan. den anderen dag blijft het thuis, omdat moeder mee moet en zijn hulp alsdan thuis niet kan worden gemist *). Doch daarmede is niet uitgemaakt, dat de vergunning óók verleend moet worden, als er zeker of waarschijnlijk van zelf-werken door het kind geen sprake is. — I)e commissie van rapporteurs merkte dan ook op, dat het amendement geen zakelijke beteekenis had: of men leest „op grond van", dan wel

*) In de Handelingen leest men: „en zijn hulp dan in huis of tuin wel kan worden gemist Maar de door m\j gecursiveerde woorden zyn klaarblijkelijk een drukfout.

Sluiten