is toegevoegd aan uw favorieten.

De leerplichtwet (wet van 7 juli 1900, staatsblad no. 111) en de daarbij behoorende uitvoerings-maatregelen, met aantekeningen ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen regeering en staten-generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 21 en 22.

personen nog met dezelfde toegevendheid te behandelen als anderen, die zich nog niet of in veel mindere mate aan overtredingen hebben schuldig gemaakt. — Toch nam hij het amendement over, nadat de commissie van rapporteurs het in overeenstemming met den humanen geest van het wetsontwerp had genoemd om, zelfs waar men te doen heeft met zulke verstokte zondaars, na een jaar de spons erover te halen, wanneer zij gedurende gansck dat jaar getoond hebben van hun zonde bekeerd te zijn. (Hand. II, blz. 1228-29.)

S 6.

Bij ambtshalve ingeschreven leerlingen eener lagere school heeft men te doen met personen, tegenover wie, volgens de bepalingen van art. 20, alle andere middelen, om hen te bewegen aan het absolute leerverzuim der kinderen een einde te maken, waren uitgeput. Tegenover dezulken worde dan ook geen consideratie meer gebruikt. Zij kunnen geen aanspraak maken op de mildere administratieve behandeling, welke tegenover anderen, wier gemis aan zorg uitsluitend relatief schoolverzuim ten gevolge heeft, aan de tusschenkomst van den strafrechter moet voorafgaan. Bij hen kan liet dadelijk hiertoe komen, wanneer de overtreding plaats heeft binnen zes maanden na den dag, waarop het kind geacht wordt tot de schoolbevolking te behooren. (M. v. A.. blz. 35.)

Artikel 22.

De gemeenteraad benoemt een of meer commissiën, die den arronrondissements-schoolopziener bijstaan bij het verrichten der werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 20 en 21.

Deze commissiën worden benoemd uit:

1°. de in de gemeente wonende ouders, voogden en andere in artikel 1 genoemde verzorgers der in de gemeente op eene lagere school ingeschreven kinderen;

2°. - de meerderjarige onderwijzers, die aan eene openbare lagere school in de gemeente werkzaam zijn;

3°. de meerderjarige onderwijzers, die aan eene bijzondere lagere school in de gemeente werkzaam zijn;

4°. de overige meerderjarige inwoners der gemeente, voor zoover zij niet onder een der vorige categorieën vallen.

In iedere commissie worden, zooveel mogelijk, alle onder 1°. tot en met 4°. aangegeven categorieën vertegenwoordigd.

Deze commissiën dragen den naam van: commissiën tot wering van schoolverzuim.