Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nri. oh.

4n dat er, behoudens door Ons voor bepaalde gemeenten of gedeelten van gemeenten te verleenen tijdelijke vrijstelling, voor de meisjes, hetzij deze al dan niet te zamen met jongens aan de lessen deelnemen, gelegenheid moet zijn om buiten avonduren 96 uren in het jaar herhalingsonderwijs te genieten;

5°. dat voor het herhalingsonderwijs, buiten avonduren, niet meer dan twee halve dagen in de week mogen worden besteed;

6°. dat gedurende de uren, voor het herhalingsonderwijs aangewezen, in de daarvoor bestemde lokalen aan de klassen der gewone lagere school, welke in die lokalen worden onderwezen, geen gewoon lager onderwijs wordt gegeven.

Een lesuur, des namiddags te 5 uur of later aanvangende, wordt geacht tot de avonduren te behooren.

Artikel 18 en artikel 19, litt. b *), zijn ten deze toepasselijk."

Strekking van het artikel. De wetgever van 1878, die in de toen tot stand gekomen wet op liet lager onderwijs art. 17 opnam, heeft zich voorgesteld, dat onder de werking daarvan overal, waar dit slechts eenigszins mogelijk was, herhalingsscholen zouden worden opgericht. Maar de uitkomst heeft aan die verwachting niet beantwoord **). In de practijk bleven de gemeentebesturen, die aan herhalingsonderwijs weinig waarde hechtten, geheel vrij om het stelssl van onthouding toe te passen. Thans wordt hun die vrijheid ontnomen en hun allen integendeel de verplichting opgelegd, het herhalingsonderwijs te organiseeren en het te verstrekken aan de kinderen, voor wie het, nadat zij het gewoon lager onderwijs genoten hebben, wordt begeerd. Doch bovendien was wijziging van genoemd art. 17 wenschelijk, omdat het de vrije ontwikkeling van het herhalingsonderwijs in den weg stond. Dit moet zich kunnen aanpassen aan de plaatselijke behoeften; wat bij de

#) Art. 18: „De besluiten van den gemeenteraad, betreffende het getal der scholen en de vakken, welke op de scholen zullen onderwezen worden, worden aan Gedeputeeree Staten medegedeeld. Zoo Gedeputeerde Staten het getal scholen of den omvang van het onderwas onvoldoende achten, bevelen zij, den inspecteur gehoord, vermeerdering.

„Gelijke vermeerdering kan, Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons worden bevolen."

Art. 19: „De besluiten van den gemeenteraad betreffende:

b. de vermindering van het getal scholen of van den omvang van het onderwijs

worden a:in de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen.

„De art 196. 197, 198, 200. 201 en 202 der wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85) zyn ten deze toepasselijk."

•') Als een der redenen daarvan noemde de heer Tydeman de wet van 8 Dec. 1889 (Stbl. 110. 175), waarbij, door een gewijzigd art. 45 der wet op het lager onderwijs, aan de gemeenten de rijksbijdrage van 30 pet. in de kosten van het herhalingsonderwijs ontnomen en de bijdrage voor de tractementen der onderwijzers gefixeerd is, zoodat elke verhooging dier tractementen of toelagen voor het geven van herhalingsonderwijs geheel en al kwamen bleef op de schouders der gemeenten. Daardoor is het herhalingsonderwijs geknakt, terwijl de grondslag ervan in het bestaande art. 17 toch reeds zeer zwak was. In gelijken geest sprak ook de heer Hennequin. (Hand. II, blz. 1272 en 1276)

Sluiten