Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art 34.

door de voorgedragen maatregelen financieel niet zal komen in ongunstiger conditie. (Hand. II, blz. 1295 en 1801.) — Zie voor den toestand van het oogenblik de noot-aanteekening op bl. 92. welke ook geldt voor liet bijzonder herhalingsonderwijs.

l'ast dit artikel in deze wet? Zoowel de heer Schaepiuan als de heer Kuyper (Hand. II, blz. 1261 en 1266) antwoordden ontkennend, daarbij zich beroepend op hetgeen de minister zelf tegen een der vroeger ingediende amendementen had aangevoerd, namelijk dat men in deze wet niet moest regelen wat in een andere wet tehuis behoort. — Reeds schriftelijk intusschen had de regeering uiteengezet, dat zij. de leerverplichting uitstrekkend tot het herhalingsonderwijs, de verkrijgbaarheid ervan overal moest waarborgen, en' dat zij daarom art. 17 der wet op het lager onderwijs niet onveranderd kon laten. ('Af. v. A.. blz. 45.) — Natuurlijk heeft deze drangreden haar kracht verloren door de verwerping van art. 35 van het wetsontwerp, waarbij de verplichting tot het genieten van herhalingsonderwijs werd opgelegd *).

In een anderen gedachtengang, omdat dit onderwijs in art. 34 volgens hem niet voldoende geregeld, maar het meeste aan de gemeentebesturen overgelaten wordt, betoogde de heer de Savornin Lobman (en de heeren Van Karnebeek en de Beaufort vielen te dien opzichte hem bij), dat de regeering het onderwerp in een latere afzonderlijke wet had behooren uit te werken. — De heer Van (I i 1 s e voerde hem echter tegemoet, dat hier misschien wel hetzelfde gold. wat hij omtrent een ander onderwerp had gezegd: men vindt altijd veel mooier wat ons voorgespiegeld wordt, dan wat men uitgewerkt voor zich ziet. {Hand. II, blz. 1269 en 1277.)

De heer Kuyper herhaalde wat hij reeds bij de algemeene beraadslaging als zijn meening had aangeduid {Iland. II, blz. 10761. dat het absurd is, de nationale opleiding, in het groot, te beschouwen als kunnende eindigen met het twaalfde jaar. Die groote fout, totdusver begaan, is zijns inziens een der hoofdzaken van onze nationale achterlijkheid. Volgens zijn overtuiging is liet hoog tijd, dat in die leemte voorzien worde; en het zou hein steeds een voorrecht zijn tot het aanbrengen van die nieuwe veerkracht in de opleiding van ons nationaal leven te mogen medewerken. Maar een zijner hoofdklachten over het voorstel van de regeering was. dat, wat daarin geboden werd, niets anders was dan een verlengstuk van het eenzijdig intellectualistische onderwijs, hetwelk totdusver op de lagere school gegolden heeft, en dat het daardoor het opkomen van wat we hebben moeten tegenhield. Door de regeling zal aan onze nationale ontwikkeling zeer ernstige schade worden toegebracht, omdat er iets gegeven wordt, waaraan het volk niet genoeg heeft, en omdat, hetgeen het volk behoeft (de practische opleiding voor diensten, ambachten, bedrijven, beroepen), er door wordt tegengehouden. Dit onderwijs is niet te regelen zonder het leerlingenstelsel, omdat het onmogelijk is voor de practijk buiten de practijk op te leiden. — Ambachts- of ander speciaal vakonderwijs, stelde de heer

*) De artt. 34 en 35 kwamen gelyktydig in beraadslaging. Natuurlijk laat ik deze onbesproken. voorzoover zy het laatstgenoemde artikel raakte.

Sluiten