is toegevoegd aan uw favorieten.

De leerplichtwet (wet van 7 juli 1900, staatsblad no. 111) en de daarbij behoorende uitvoerings-maatregelen, met aantekeningen ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen regeering en staten-generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 36-38.

krachtens datzelfde artikel altijd van de leerverplichting vrij, als zij de klasse doorloopen hebben, waarin zij bij het bereiken van den 13jarigen leeftijd geplaatst waren, ook al is dit een der laagste klassen. (2' M. r. A.. blz. 87.)

Artikel 37.

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van: Leerplichtwet.

Artikel 38.

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons vast te stellen tijdstip.

Bij het in werking treden dezer wet vervallen de artikelen 80 en 81 der wet tot regeling van het lager onderwijs *).

Eerste lid.

Een amendement van den heer Scliaepman, om dit lid aldus te lezen: „Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet te stellen tijdstip", werd door den voorsteller ingeleid met de verzekering, dat liet niet eenig wantrouwen bedoelde jegens de regeering, die verklaard had, bij de herziening der wet op liet lager onderwijs aan de billijke eischen van het bijzonder onderwijs tegemoet te zullen komen. Maar het ministerieele leven gaat dikwijls spoedig voorbij: en op grond van ervaring mocht gevorderd worden, dat men eenige voorzichtigheid van de zijde, waartoe de voorsteller behoorde, zou eerbiedigen, althans niet ten kwade duiden. Trouwens: men wist alleen, dat er iets zal geschieden, dat de regeering billijk wil zijn en rechtvaardigheid betrachten wil: dat nu was wel wat vaag, hing wel een weinig te zeer in de lucht. Bovendien bedoelde het amendement ook wel eenigszins de meerderheid van de Kamer aan den pols te voelen, opdat men wete, of zij geneigd is in de richting der regeering mede te gaan. In de eerste plaats nu was het ingediend, omdat aan het bijzonder onderwijs dooide invoering dezer wet een zware concurrentie wordt opgelegd: wanneer de gemeentebesturen krachtens deze wet, zonder het amendement, beginnen met in de behoefte aan meer scholen te voorzien, kunnen zij beschikken over de openbare kassen, maar de bijzondere scholen zullen op haar eigen kracht moeten steunen en uit eigen middelen een nieuwe concurrentie moeten beginnen, omdat het. wanneer eenmaal voor de thans absoluut-schoolverzuinienden een voldoend getal scholen in de genieenten

*) Die artikelen behelzen de voorschriften, volgens welke: lo. vóór 1 Februari de hoofden der openbare en bijzondere scholen, waar lager onderwijs gegeven wordt, aan burgemeester en wethouders der gemeente een ljjst moeten zenden van de b\j hen op 1 Januari schoolgaande kinderen boven de zes en beneden de twaalf jaren; 2o. burgemeester en wethouders een ljjst moeten opmaken van de kinderen van dien leeftijd. die zich op 1 Januari van het loopende jaar in de gemeente bevonden.