Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 38.

zal zijn gesticht, voor het bijzonder onderwijs veel moeilijker wordt om daarnaast bijzondere scholen op te richten. In de tweede plaats kon waar de minister herhaaldelijk bij de behandeling van amendementen had gezegd, dat deze of gene wet moet gewijzigd worden, en waar ten aanzien van die wijzigingen het hoe en wanneer in het onzekere hangt, een uitstel van de invoering dezer wet inderdaad geen euvel worden genoemd. - l>e minister, uitdrukkelijk namens de o-eheele regeering sprekend, deed uitkomen, dat zij getoond had tot overleg bereid te zijn; maar er was toch in deze een grens, die met mocht worden overschreden. Wat in het bijzonder de subsidien voor de bijzondere scholen betreft, had hij reeds bij de algemeene beraadslaging (Hand. II, blz. 10991 op een desbetreffende vraag van den heer Harte geantwoord: daarover laat zich niet niarchandeeren; maai indien het amendement werd aangenomen en de regeering legde zich daarbij neer, dan zou het niarchandeeren eerst recht beginnen: zooveel subsidie en anders geen leerplicht, zou de leus worden. Men wilde met het voorstel pressie oefenen op de regeering, maar deze meende geen pressie noodig te hebben oiu voor te stellen wat zij billijk en in het belang der volksontwikkeling noodig acht. Zij had verklaard, voorzoover het van haar afhangt, te zullen zorgen, dat het bijzonder onderwijs door de invoering der leerplichtwet tinantieel niet van ongunstiger conditie zal worden; dat was geen vage, maar een zeer positieve verklaring, en daarbij moest zij het laten. De minister kon er alleen bijvoegen da ,le regeering een daartoe strekkend wetsontwerp zou gereed maken met al den spoed, dien het belang der zaak vordert. Verder kon zij niet gaan. \an haar moest de bevoegdheid worden gelaten om het tijdstip te bepalen waarop de leerplichtwet zal worden ingevoerd. Zij kon niet toelaten, dat dit afhankelijk werd gemaakt van hervormingen, die, hoe s;ewichtig en vvensclielijk ook, niet beslissend mogen zijn voor de vraag, of het al dan niet tot invoering van den leerplicht komen zal. Om al die redenen achtte de regeering liet amendement onaannemelijk. 1 e heei de Savornin Lokman betuigde, dat indruk op hem maakte wat de reeeering gezegd had omtrent haar voornemen ten aanzien van de bijzondere scholen, en vroeg den voorsteller, of ook deze niet onder den indruk verkeerde, dat het verstandiger was, de met liet amendement beoogde proef op de meerderheid der Kamer thans met te nemen. Daarop trok de heer Schaepman zijn amendement in. Hij deed zulks na de zeer stellige en naar zijn beste overtuiging eerlijke verklaring, door den minister namens de geheele regeering afgelegd. Hij nam van ,lie verklaring akte en wenschte de meerderheid der Kamer op dit oogenblik nog niet voor de proef te stellen, die later volgen zal. (Hand. II. blz. 1327-29.)

»

Door den heer Mackay werd er aan herinnerd, dat bij de behandeling van art. 84 reeds de vraag was gerezen, ot met een nadere bepaling noodig was om een geleidelijke invoering van het herhalings„nderwijs mogelijk te maken. Is nu onder art. 38 ook begrepen dat bij het koninklijk besluit, waarbij het tijdstip van de invoering dei wet zal worden vastgesteld, nog een zoodanige geleidelijke invoering kan worden voorgeschreven? — De m i n i s t e r antwoordde: Het spreekt

Sluiten