Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 38.

vanzelf, dat de invoering geleidelijk moet plaats hebben. In art. 84 is uitdrukkelijk bepaald, dat de artt. I'S en 19b der wet op het lager onderwijs in deze toepasselijk zijn. De meeste gemeentebesturen zullen wel uit eigen aandrang voldoen aan de hun opgelegde verplichting. Nalatige besturen zullen van gedeputeerde staten een aanschrijving ontvangen; en als er zijn, die zich onwillig betoonen, zal het hoogere bestuur tusschen beide moeten komen, om hen te noodzaken aan hun verplichting te voldoen. (Hand. II, blz. 1328-29.) — De heer Mackay kwam op zijn eigenlijke vraag niet terug: doch men deed dit bij het onderzoek in de afdeelingen der Eerste Kamer in dezer voege: zullen aan de gemeentebesturen, ook zonderdat de wet dit bepaalt, zekere termijnen worden gegund voor de invoering van het lierhalingsonderwijsV (F. I . 1'- K., blz. 382.) — Het voornemen daartoe bestaat niet: doch in de toepasselijkheid ten deze van de artt. 18 en 19'' der wet op het lager onderwijs ligt een waarborg, omdat de ervaring heeft geleerd, dat het ingrijpen van hoogere besturen krachtens die artikelen niet geschiedt, dan na gebleken onwil der gemeentebesturen. (M. r. A. 1' K., blz. 396.)

Ttreede lid.

Tot handhaving dezer artikelen van de wet op het lager onderwijs bestaat geen aanleiding, wanneer de leerplichtwet, met haar artt. 18 en 19, zal zijn ingevoerd. (M. r. T., blz. 14.)

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Soestdijk, den 7den Juli 1900.

W IL H Ê L M IN A.

De Minister van Binnenin ndsehe Zaken,

H. GOEMAN BORGESIUS.

Uitgegeven den achttienden Juli 1900.

I)e Minister van Justitie, CORT V. X). LINDEN.

Sluiten