Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezien het nader rapport van voornoemden Minister van 20 November 1900, n°. 3832, Posterijen en Telegraphie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen,

dat de voorschriften van het Koninklijk besluit van 19 December 1892 (Staatsblad n°. 284), betreffende de vrijstelling van briefport, voor zooveel betreft de artikelen 2 tot en met 9, mede van toepassing zullen zijn op de stukken, welke ingevolge de bovenaangehaalde wetsbepaling door belanghebbenden kosteloos per post worden verzonden, met dien verstande dat deze stukken, in plaats van de aanduiding „dienst", bedoeld in artikel 3 van genoemd besluit, behooren te dragen het opschrift „vrij van port ingevolge artikel 33 der Leerplichtwet", dat, voorzoover de stukken niet afkomstig zijn van ambtenaren of autoriteiten, de waarmerking door den afzender kan plaats vinden door vermelding van zijn naam en woonplaats, bekrachtigd door zijne handteekening, en dat in het eerste lid van artikel 9 van het meergenoemde besluit, in plaats van de woorden „de vrijstellingen van port door de ambtenaren en autoriteiten aan wie zij zijn verleend" zal worden gelezen: „de gelegenheid tot kostelooze verzending per post toegestaan bij bovengenoemde wet".

Onze voornoemde Minister is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en hetwelk in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst.

's Gravenhage, den 23sten November 1900.

(geteekend) WILHELMINA.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid (geteekend) C. Lely.

Uitgegeven den zevenden December 1900.

De Minister van Justitie, (geteekend) Cort v. d. Linden.

Sluiten