Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzuim of dat beklaagde niet het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan" uitteraard dikwijls zeer moeilijk zijn te leveren. Vandaar dat voor een behoorlijke handhaving der Leerplichtwet de bovengeciteerde uitspraak van den Hoogen Baad is van 't grootste belang. ')

Nog in een ander opzicht is zij dat. De beklaagde wordt door den rechter hetzij veroordeeld, hetzij vrijgesproken, hetzij van rechtsvervolging ontslagen. Ten opzichte der beide laatste uitspraken zegt art. 216 van het Wetboek van Strafrecht:

Indien de regtbank (of hier de kantonrechter) niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat het ten laste gelegde feit is gepleegd of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij.

Indien het feit of de dader niet strafbaar is, ontslaat zij den beklaagde van alle regtsvervolging te dier zake.

Moest het Openbaar Ministerie dus te laste leggen en bewijzen, dat er geen geldige redenen van schoolverzuim waren, en gelukte dit niet of bewees de beklaagde het tegendeel, dan zou de rechter hem vrijspreken ; immers dan deed zich 't geval voor van art. 216 eerste lid: den rechter werd niet bewezen, dat beklaagde het ten laste gelegde feit had gepleegd, althans niet alle elementen van dat feit, en de rechter sprak hem vrij. Maar nu de Hooge Raad heeft uitgemaakt, dat het Openbaar Ministerie niet de afwezigheid van een geldige reden behoeft ten laste te leggen, staat de zaak heel anders. Immers nu zal, wanneer de beklaagde weet aannemelijk te maken dat er wèl zulk een reden bestaat, niettemin het Openbaar Ministerie alles bewezen hebben wat het heeft ten laste gelegd; maar uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het ten laste gelegde feit in dit speciale geval niet strafbaar is, d. w. z. het geval van art. 216, lid 2 doet zich voor en de beklaagde wordt niet vrijgesproken, maar van rechtsvervolging ontslagen.

En dit is alweer geen quaestie van een paar woorden, want bij ontslag van rechtsvervolging kan de ambtenaar van het O. M. cassatie van het vonnis vragen, maar tegen een vrijsprekend vonnis staat geen cassatie open.

De continuïteit der overtreding. Wanneer een kind eenigen tijd de school ongeregeld bezoekt, is dat dan voor den verzorger één voortgezette overtreding van de Leerplichtwet of bega ik evenveel overtredingen als het kind schooltijden onwettig verzuimde. Ook over deze vraag waren de gemoederen zeer verdeeld, en ook deze is van groot practisch belang. Immers, huldigt men de laatste opvatting, dan moet voor_ elke overtreding één straf worden opgelegd, d. w. z. minstens 50 ets., de laagste boete die ons strafrecht kent, zoodat bij een onwettig verzuim van b. v. een paar weken, dus van ongeveer 20 schooltijden, de kantonrechter 20 boeten van minstens

1) Hetzelfde is nog eens beslist bij arrest van 17 Februari 1902, vernietigende een vonnis ▼an den kantonrechter te Sneek. W. 7729.

Sluiten