is toegevoegd aan uw favorieten.

De leerplichtwet (wet van 7 juli 1900, staatsblad no. 111) en de daarbij behoorende uitvoerings-maatregelen, met aantekeningen ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen regeering en staten-generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een schoolopziener schrijft naar aanleiding van dit arrest: „Ik durf haast geen proces-verbaal meer op te maken om het prestige van de hoofden der scholen en van den schoolopziener; iedereen zal zich nu op armoede beroepen." Het komt ons voor, dat voor deze vrees geen grond bestaat, mits de kantonrechters het arrest van den Hoogen Raad goed lezen. Daar wordt immers eenvoudig gezegd, dat de rechter moet onderzoeken wat er van aan is zoodikwijls de beklaagde zich op zijn armoede beroept; het arrest zegt niet, dat armoede altijd een geldige reden voor schoolverzuim is, maar drukt alleen den rechter op het hart, dat het dit kan zijn, dat hij niet eens en vooral mag decreteeren: armoede is nooit een geldige reden van schoolverzuim, en dat hij van den uitslag van zijn onderzoek moet melding maken in het vonnis.

Nog een drietal arresten van den Hoogen Eaad van minder groot belang dienen hier behandeld. Het eerste betreft de omschrijving van de bewijsmiddelen ten opzichte waarvan bij arrest van 16 Dec. 1901 werd uitgemaakt, dat in het vonnis de inhoud moet worden vermeld van het proces-verbaal van den schoolopziener, dat strekt tot bewijsmiddel van het plegen der overtreding, omdat anders „niet kan worden beoordeeld, of het bewijs door wettige bewijsmiddelen is verkregen".

Het tweede betrof een cassatie-beroep tegen een vrijsprekend vonnis. Nu staat, zooals wij straks zagen, geen cassatie open tegen een vrijspraak; maar hier betrof het een vonnis, waarbij ontslag van rechtsvervolging had behooren gegeven te worden en geen vrijspraak; vandaar dat de Hooge Eaad de zaak wel degelijk aan zich trok.

A. de B. was als moeder van haren natuurlijken zoon Cornelis voor diens schoolverzuim aansprakelijk gesteld. Maar ze had het kind niet erkend, en eerst door de erkenning, zegt ons burgerlijk recht, ontstaat er tusschen moeder en kind een rechtsbetrekking. De kantonrechter in het tweede kanton te Amsterdam had op grond daarvan niet-bewezen verklaard, wat het Openbaar Ministerie had ten laste gelegd: .dat zij krachtens de wet met de verzorging van haar zoon Cornelis belast was", en haar bijgevolg vrijgesproken.

Het Openbaar Ministerie daarentegen meende, dat hier ontslag van rechtsvervolging had moeten volgen, en daarmee vereenigde zich de Hooge Eaad bij arrest van 17 Februari 1902 ') op grond van de volgende overwegingen:

„dat het ten laste gelegde feit en de schuld van de gerequireerde (de ongehuwde moeder) daaraan niet wettig en overtuigend bewezen zijn verklaard op grond dat, terwijl de kantonrechter aanneemt dat de gerequireerde is de moeder van het in dezen bedoeld natuurlijk niet erkend kind, de wet aan de ongehuwde moeder ten aanzien van haar niet erkend kind geene verplichting tot verzorging oplegt, waaruit volgt dat de kantonrechter het ontbreken van hetgeen naar zijn oordeel is een vereisclite voor de strafbaarheid der overtreding afleidt uit een rechtsbeschouwing, gegrond op de voorschriften der

1) W. 7728.