Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwongen kunnen worden hun kroost toch daarheen te zenden, en in dat geval van de verplichting, bedoeld in art. i, vrij kunnen komen, ook al bestaat er niet het minste uitzicht, dat hunne kinderen in plaats van schoolonderwijs, huisonderwijs zullen ontvangen.

Als tweede reden, waarom sommige leden in beginsel het wetsontwerp bestreden, wordt opgegeven de ongeneigdheid om mede te gaan met eene regeling, welke uitgaat van de grondgedachte, dat de Staat de opvoeding der kinderen in eigen hand moet nemen.

Ook naar de meening der Regeering zou een wetsontwerp, hetwelk die stelling huldigde, in beginsel zijn af te keuren. Maar in het ontwerp, thans bij de Kamer aanhangig, komt geen enkele bepaling voor, welke bedoelde uitspraak ook slechts eenigermate zou wettigen. Wel wordt i laarbij den ouders verboden de opvoeding hunner kinderen te verwaarloozen door hun zelfs het meest noodzakelijke onderwijs te onthouden, maar het springt in het oog dat een dergelijk verbod geheel iets anders is dan de opvoeding te willen overbrengen op den Staat. In het laatste geval belast zich de Staat met de opvoeding in de plaats van de ouders, in het eerste geval worden de ouders door de wet verhinderd zich straffeloos aan den plicht der opvoeding te onttrekken. Dus juist het tegendeel.

De misvatting, waaraan bovengenoemde leden zich schuldig maakten, zou verklaarbaar zijn, indien eene regeling werd voorgesteld welke de ouders zou verplichten hunne kinderen te zenden naar een bepaald soort van scholen, bij voorbeeld naar de openbare. Maar daarvan is in de verste verte geen sprake. Dit wetsontwerp laat niet alleen de ouders in de keuze van de school geheel vrij, legt niet alleen volstrekt geen voorkeur aan den «lag voor openbaar of bijzonder, voor neutraal of kerkelijk onderwijs, maar stelt de vrijheid der ouders om hunne kinderen geen onderwijs te doen genieten, dat met hunne innige overtuiging in strijd is, zoo hoog, dat dezen in die gevallen, waarin zij geen plaats kunnen vinden op een school van hun eigen richting, zelfs het recht behouden hunne kinderen van alle onderwijs verstoken te laten, indien zij daaraan de voorkeur geven boven plaatsing op een school van een andere richting.

Een andere grief is, dat door dit wetsontwerp eene zedelijke en natuurlijke verplichting in een Staatsplicht wordt omgezet, waarvan gevreesd wordt „verzwakking van de zedelijke constitutie van het volk." Die vrees is volkomen ongegrond. Aan tal van zedelijke en natuurlijke verplichtingen is reeds thans wettelijke sanctie gegeven, zonder dat van die gevreesde verzwakking ooit iets gebleken is. Aan de meeste strafbepalingen ligt ten grondslag eene zedelijke verplichting, waarvan de nakoming in het algemeen belang noodig wordt geacht. Wil men voorbeelden ? Iemand te redden die in doodsgevaar verkeert, indien men dit kan doen zonder eigen leven aan gevaar bloot te stellen, is een zedelijke verplichting ; de wetgever heeft het noodig geacht straf te bedreigen tegen hen, die zich aan dien plicht onttrekken. Wien het ongeluk treft, door een besmettelijke ziekte te worden bezocht, is zedelijk verplicht voorzorgsmaatregelen te nemen, dat de besmetting niet worde overgebracht; die dat niet doet wordt gestraft, omdat het algemeen belang de nakoming van die verplichting eischt. En die voorbeelden zijn met tal van anderen te vermeerderen. Niet alle zedelijke verplichtingen krijgen of behoeven wette lijke sanctie ; de wetgever moet in elk speciaal geval beslissen of het

Sluiten