Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodig is. Onder de Romeinen werd het onnoodig geacht de nakoming der plichten van ouders tegenover hunne kinderen — ofschoon uit zedelijk oogpunt nooit ontkend — door eenige strafbepaling te waarborgen. Thans is er bijna niemand meer die de ouders zou willen toestaan hun kind straffeloos te exploiteeren, te mishandelen of het noodige voedsel te onthouden. Dit wetsontwerp nu gaat uit van de grondgedachte, dat het noodzakelijk is straf te bedreigen tegen ouders, die de opvoeding van hun kroost verwaarloozen. Dat is geen toepassing van het „stelsel van staatsvoogdij", maar noodzakelijke bescherming van onmondigen, die voor zich zelf niet kunnen zorgen ; dat zal niet leiden tot verzwakking, maar wel tot versterking van de zedelijke constitutie van het volk, want het kind van heden is de man van morgen, en een verwaarloosde jeugd geeft in de naaste toekomst een ook uit zedelijk oogpunt zwak volk. F.n voor het kind zelf heeft zedelijke mishandeling dikwijls ergere gevolgen dan lichamelijke. Niet ten onrechte spreekt men in de taal van het volk van zedelijke moorden, aan kinderen begaan. Verstandig is het niet te wachten, totdat de zedelijke moord haar beslag heeft gekregen, maar bij tijds maatregelen te nemen om verwaarloozing tegen te gaan.

Dat dit in strijd zou zijn met onze geschiedenis en onzen volksaard, wordt wel beweerd maar niet bewezen. Trouwens, dergelijk bewijs zou ook niet te leveren zijn. Ons volk is prat op zijne vrijheid, maar waar die vrijheid ontaardt in losbandigheid, miskenning van de rechten van anderen, verdrukking van de zwakken, daar is het van Staatstusschenkomst en ook van dwangmaatregelen nooit afkeerig geweest. En in deze dagen minder dan ooit, nu meer en meer in alle kringen het besef doordringt, dat de zwakkeren tegenover de sterkeren ook door de wet moeten worden beschermd. En dat de kinderen in hunne verhouding tot de ouders tot de zwakken moeten worden gerekend, wie zal het ontkennen ? Ook uit dat oogpunt is leerplicht wel degelijk een sociale maatregel. Waren alle werkgevers bereid geheel vrijwillig de belangen hunner ondergeschikten naar beste vermogen te behartigen, wetten tot bescherming van werklieden — zooals de arbeidswet, «Ie veiligheidswet enz. — zouden overbodig zijn. Waren de natuurlijke beschermers der kinderen allen van de hooge beteekenis der plichten, die op hen rusten, voldoende doordrongen, wetten tot invoering van leerplicht en tot ontzetting uit de vaderlijke macht zouden achterwege kunnen blijven. Men moet echter blind zijn voor de werkelijkheid om dat te beweren, en daarom is Staatstusschenkomst onmisbaar niet om de goedgezinden in hun vrijheid te belemmeren maar om de slechtgezinden tot hun plicht te brengen.

Het schijnt hier de meest geschikte plaats om te antwoorden op de bedenking, dat ondergeteekende in de Memorie van "1 oelichting ten onrechte een beroep zou hebben gedaan op artikel 159 1 353 bet Burgerlijk Wetboek, in welke artikels de plicht van de ouders om hunne kinderen op te voeden uitdrukkelijk is erkend. Door het aangevoerde is hij niet overtuigd, dat hij verkeerd heeft gedaan den inhoud van deze artikels bij deze gelegenheid in herinnering te brengen. Er blijkt uit, dat de Nederlandsche wetgever reeds zestig jaren geleden dien plicht als een beginsel van burgerlijk recht op den voorgrond heeft gesteld. Dat dit voorschrift thans nog een nudum prseceptum is zonder rechtsgevolgen, wordt niet betwist, maar de vraag is, of dit zoo mag blijven en of de Staat niet een stap verder behoort te gaan door maatregelen te nemen

Sluiten