Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

intellectueele ontwikkeling niet zwaar genoeg weegt, oin in dezen dwang te recht\ aardigen, althans niet om er de constitutie van het huisgezin voor prijs te geven; 20. omdat in elk geval naar hunne meening dit voorstel veel verder gaat dan de bestraffing van werkelijke verwaarloozing.

Deze bestrijding is althans minder principieel dan die van de leden, welke boven aan het woord waren. Kan worden aangetoond, dat het nut \an behoorlijk onderwijs door hen te gering wordt geschat en dat het geenzins de bedoeling is te straffen, waar van verwaarloozing geen sprake is, dan mag worden verwacht, dat deze leden, die in beginsel Staatstusschenkomst ook op dit terrein niet afkeuren, alsnog tot voorstanders van leerplicht zullen worden bekeerd.

Met opzet gebruikt ondergeteekende den term : het nut van behoorlijk onderwijs, ofschoon de leden, wier bedenkingen hij thans tracht te weerleggen, zich bedienen van de uitdrukking: „het nut van intellectueele ontwikkeling". Intellectueele ontwikkeling toch, hoe noodig en hoe gewichtig ook, is niet het eenige wat de school geeft en behoort te geven. Onderwijs en opvoeding kunnen en mogen niet worden gescheiden. Elke school, die aan hare roeping beantwoordt, moet gericht zijn op harmonische ontwikkeling van verstand, hart en gemoed. Ook de openbare. Geheel ten onrechte wordt op blz. 2 van het Vei slag gezegd, dat het onderwijs op de openbare scholen feitelijk geheel omgaat buiten godsdienst en zedelijkheid. Waar dat het geval is, verzuimt de onderwijzer zijn plicht. Opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden wordt in onze schoolwet uitdrukkelijk voorgeschreven. De leden die het deden voorkomen, alsof ondergeteekende zelf aan dat voorschrift weinig waarde zou hechten, vergissen zich. Het twistgeschrijf over de vraag wat een christelijke en wat een maatschappelijke deugd is, mag de aandacht niet afleiden van de hoofdzaak, en die hoofdzaak is, dat het niet alleen te doen is om het inprenten van kundigheden, maar dat het onderwijs een opvoedend, vormend karakter moet hebben. Dat alleen de bijzondere, kerkelijke school in staat zou zijn zulk onderwijs te geven, betwist hij ten stelligste. Tot die conclusie kan men alleen komen door van het beginsel der neutraliteit een caricatuur te maken. Zeker, krenking van de gevoelens van andersdenkenden is uitgesloten, maar het zou er treurig uitzien, als men zonder zich daaraan schuldig te maken niet meer kon opleiden tot deugd. Zoodra men kan aantoonen, dat dit onmogelijk is, houdt ondergeteekende op een voorstander van de openbare school te zijn.

Is dus verstandelijke ontwikkeling geenszins het eenige, wat men van goed onderwijs mag verlangen, dit neemt niet weg dat ook die ontwikkeling moeilijk te hoog kan worden geschat. Ondergeteekende kan hier slechts herhalen wat reeds in de Memorie van Toelichting is gezegd: „Onder alle rangen en klassen vertegenwoordigt het intellect een groote kracht; zelfs de eenvoudigste arbeid vordert tegenwoordig eenig doorzicht en ontwikkeling en ook eenige kennis. Een volk, dat slecht onderwezen wordt, is niet in staat te concurreeren in den vreedzamen wedstrijd volken." Met andere woorden is dezelfde gedachte uitgedrukt op blz. 14 van het Verslag, waar gezegd wordt: „Gebrek aan ontwikkeling is een verzwaring van de moeilijkheden, die voor velen bestaan in het zoeken om met eerlijke middelen in het levensonderhoud te voorzien".

Hoe kan men tegenover de groote belangen, die op het spel staan, in casu volhouden, dat goed onderwijs of, wil men, verstandelijke ont-

Sluiten