Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instellingen te Doetincheni. „In een goed ingerichte school", zoo leest men daar, „heerscht orde en regel in het onderwijs. Dat onderwijs moet in de eerste plaats rekening houden met die leerlingen, die altijd aanwezig zijn en dus geregeld door kunnen werken. De leerlingen, die gedurig verzuimen, kunnen het onderwijs niet volgen; daardoor vermindert de belangstelling en de onderwijzer wordt in zijn werk zeer bemoeilijkt, mede tot schade van getrouwe leerlingen. De onderwijzer zal bijv. een rekenles hebben. Het is noodig, dat hij met de kinderen het een of ander op het bord behandelt, voordat zij met het werk verder kunnen gaan. Hij maakt de kinderen de zaak duidelijk en wat hun eerst heel moeilijk toescheen, wordt nu met ijver ter hand genomen. De kinderen zelf hebben er genot van, dat het werk nu zoo „gemakkelijk" is. Maar nu zijn er eenige afwezige leerlingen. Na verloop van eenige dagen of soms weken komen zij terug. Nu kan de onderwijzer zich inspannen, om die leerlingen nog zooveel mogelijk het verzuimde te doen inhalen. De tijd, dien hij noodig had voor de trouwe leerlingen, moet hij nu aan de achterblijvers wijden en met dat al kunnen zij toch niet meekomen. De andere leerlingen worden er door opgehouden, terwijl zij die verzuimden, met moeite en daarom vaak met tegenzin het werk maken. Met die leerlingen zal het in den regel „ tobben" blijven en de klasse lijdt er voortdurend onder. Hebben de ouders de gewoonte, om de kinderen gedurig te huis te houden, dan weten de kinderen eindelijk ook niet anders of het hoort zoo. De school trekt hen niet aan ; de onverschilligheid der ouders gaat op hen over en die leerlingen onderscheiden zich in den regel daardoor, dat het veel meer moeite kost hen aan orde en tucht te onderwerpen dan andere leerlingen die geleerd hebben, dat alle dingen met orde moeten geschieden en vooral ook het schoolgaan."

Op hetzelfde standpunt staat de voorzitter eener Christelijke Jongelingsvereeniging, die in de „Christelijke School, Advertentieblad voor het christelijk onderwijs in Nederland", belangrijke artikels over leerplicht heeft geschreven. Na er eerst op gewezen te hebben, dat het schoolverzuim werkelijk groote verhoudingen heeft aangenomen, vervolgt hij :

„Strafbaar is het schoolverzuim, wanneer de kinderen tehuis blijven wegens pretjes, een kleine verkoudheid, slordigheid bij het opstaan, boodschappen doen, weinig lust om naar school te gaan en voorts allerlei wissewasjes. Als dit één ol tweemalen per week voorkomt is zulks reeds schadelijk. Durft een onderwijzer het tegendeel volhouden ?"

En verder :

„Een enkel kind, dat slecht of ongeregeld school gaat, is dikwijls een hinderpaal voor het onderwijs eener groote klasse.''

Niet minder beslist laat zich uit een hoofdonderwijzer van eene Katholieke school in het aartsbisdom Utrecht en wel in het „Centrum" van 5 Mei 1898: „Als onderwijzer" — zoo schrijft hij — „met eene 4ojarige ervaring, waarvan 32 jaar als hoofd van twee scholen, bezocht door een groot getal leerlingen, kinderen uit de verschillende standen der Maatschappij als 011- en minvermogenden en gegoeden, beide RoomschKatholieke bijzondere scholen, meen ik zonder overdrijving van eenige ondervinding op dit gebied te kunnen en te mogen meepraten. En wat heeft mij die lange ervaring bevestigd ? Dat schoolverzuim de kanker is van het onderwijs, of wil men dien thans geijkten term niet, goed, het schoolverzuim staat alle goed onderwijs in den weg. Dit te bewijzen is voor een onderwijzer een zeer gemakkelijke zaak. Tedereen zal het geree-

Sluiten