Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk erkennen." Trouwens, zelfs de tegenstanders van leerplicht ontkennen niet, dat schoolverzuim goed onderwijs in den weg staat, maar hoe kunnen zij dan de invoering van leerplicht bestrijden op grond dat het onderwijs nog zoo onvoldoende is ?

Door dezelfde leden, die in het begin van deze paragraaf den leerplicht bestrijdenjomdat het onderwijs nog zoo slecht is, wordt echter een paar bladzijden verder aan de stoute bewering, dat leerdwang voor de werklieden van geen belang is, de opmerking toegevoegd, dat men daarmede de beteekenis der school als aanvulling van de huiselijke opvoeding, zoowel wanneer deze goed als wanneer zij slecht is, niet wilde ontkennen, maar dat het de vraag is, of geregeld schoolbezoek alleen door invoering van leerplicht is te verkrijgen.

Dat nu is een geheel andere hoogst belangrijke vraag, die door bedoelde leden ontkennend, maar door ondergeteekende zeer stellig bevestigend wordt beantwoord.

Het is minder juist, dat die vraag in de Memorie van Toelichting nauwelijks besproken is. In die Memorie toch is er wel degelijk op gewezen dat de aanwending van zedelijke middelen geheel onvoldoende is gebleken, en dat ook het Ministerie van 1889 — geheel bestaande uit voorstanders van het bijzonder onderwijs — met zoovele woorden heeft erkend, dat de pogingen om door zedelijke middelen alleen het schoolverzuim afdoende te bestrijden, als mislukt mogen worden beschouwd.

Terecht wordt verder op blz. 14 van het Voorloopig Verslag gewezen op de geschiedenis van het Nederlandsch Schoolverbond. Die vereeniging, opgericht om het schoolverzuim te bestrijden, is ten slotte saamgesmolten met de vereeniging „Volksonderwijs", die leerplicht in haar banier \oert, omdat proefondervindelijk was gebleken, dat met zedelijke middelen alleen slechts weinig resultaten waren te verkrijgen.

Ook onder de mannen van het schooltoezicht is door de ervaring het besef vrij algemeen geworden, dat zonder leerplicht het kwaad niet afdoende te bestrijden is.

Hetzelfde valt op te merken in de kringen der onderwijzers. Is bijv. de stemming in het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap niet een opmerkelijk teeken des tijds? Er waren die de voorgedragen regeling nog te zwak vonden, maar tegen het beginsel van leerplicht ging schier geen enkele stem op. En ook onder de bijzondere onderwijzers hoort men steeds meer stemmen in denzelfden geest. „Wie zal" — schreef onlangs een bijzondere onderwijzer in een Christelijk onderwijsblad - „de ouders noodzaken aan hunne verplichting te voldoen, als de overheid het met doet ? Zonder bare bemoeiing is dat kwaad niet afdoende te keeren. Zedelijke middelen kunnen in vele gevallen helpen, maar de ervaring heeft ons dit geleerd — ze treffen geen doel bij onwilligen en bij ouders, die toonen niet het minste besef van verantwoordelijkheid tegenover de kinderen te hebben, en juist dezulken zullen zich het meest aan schoolverzuim schuldig maken. Voor dezulken draagt de overheid het zwaard niet te

vergeefs.' .

Opmerkelijk is verder het laatste „Verslag van het Suppletiefonds voor Arme Schoolgaande Kinderen in Stad- en Ambt-Doetinchem . De bestuurders van dat fonds, ook voorstanders van het bijzonder onderwijs, verdedigen leerplicht juist op grond, dat zedelijke middelen uitgeput raken en zoovele ouders zich niet door overreding, vermaning of beloo-

Sluiten