Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning laten bewegen, hunne kinderen geregeld naar school te zenden. — Na de toestanden, zooals zij die uit eigen ervaring in hun kring hebben leeren kennen, te hebben geschetst, schrijven zij: „Men moet bij de beoordeeling van het wetsontwerp op den leerplicht met de toestanden rekening houden. Let men alleen op (ie rechten der ouders en h'.-udt men niet in het oog, dat sommige kinderen dringend behoefte hebben aan bescherming, dan velt men een eenzijdig oordeel."

Buiten de Kamer zijn er dan ook onder de deskundigen al heel weinig stemmen opgegaan, die beweren, dat zonder leerplicht aan het schoolverzuim wel voldoende paal en perk kan worden gesteld. Waar zij den leerplicht bestrijden, geschiedt dat meestal op geheel andere gronden, o. a. op grond dat hier zou zijn eene ongeoorloofde vrijheidsbeperking. Ook in deze paragraaf werd dat argument te berde gebracht. „De leerdwang zal" — zoo leest men op blz. 12 —, ,,al moge zij alleen gericht zijn tegen ouders die hun plicht verzaken, voor alle ouders, ook voor de goedgezinde, een hinderlijke en ergerlijke vrijheidsbeperking zijn. Dergelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid is, vooral in ons land, alleen in geval van noodzakelijkheid verdedigbaar."

Dat o n 11 o o d i g e vrijheidsbeperking afkeuring verdient, wie zal het betwisten ? Daarom is dan ook door ondergeteekende erkend, dat het zijn plicht is de noodzakelijkheid van den voorgedragen maatregel te bewijzen ; maar hij meent dan ook zijn pleit in beginsel te hebben gewonnen, indien hij kan aantoonen :

i°. dat het kwaad, hetwelk men wil bestrijden, van dien aard en dien omvang is, dat daartegen dwangmaatregelen gewettigd mogen worden geacht;

2°. dat het niet mogelijk is zonder dwingende tusschenkomst van den Staat dat kwaad afdoende te beteugelen;

30. dat er gegrond vooruitzicht bestaat door de voorgedragen maatregelen dat kwaad, zoo al niet geheel, te keeren, dan toch zeer aanmerkelijk te breidelen;

4°. dat er geen gegronde vrees bestaat, dat men, met behulp van .Ie Staatsmacht het ééne kwaad bestrijdende, een ander nog grooter kwaad in het leven zal roepen.

Ondergeteekende weet, dat over meer dan één van die punten groot verschil van gevoelen bestaat; hij wenscht zich zijn taak volstrekt niet gemakkelijk te maken, maar hij zou zoo gaarne den strijd op meer practisch terrein zien overgebracht. Over de vraag, hoever de Staatsbemoeiing in abstracto mag gaan, zal men wel bij voortduring blijven twisten, zonder ooit tot een bevredigend resultaat te komen. Met schermen over vrijheidszin en de heiligheid der vaderlijke macht brengt men ingewikkelde praktische vraagstukken niet tot oplossing. Onbeperkte individueele vrijheid is in een beschaafden Staat onmogelijk. Waar zijn de burgerlijke en sociale wetten die niet direct of indirect een beperking van vrijheid ten gevolge hebben ? In Engeland, Zwitserland en Zweden — om andere landen niet te noemen — is men zeker niet minder prat op vrijheid dan hier in Nederland, maar dat heeft toch niet belet dat men daar reeds jaren geleden is overgegaan tot de hervorming, die hier thans aan de orde is. De bijvoeging „vooral in ons land" heeft dus al heel weinig zin. Ons volk is vrijheidlievend, maar het is tevens diep doordrongen van het besef, dat de rechten van den één beperking behoeven in het belang van den ander, dat individueele belangen moeten wijken, waar het algemeen belang op

Sluiten