Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hunne kinderen het liefst zouden zenden naar anti-godsdienstige scholen. Indien voor hen, die in deze paragraaf aan het woord zijn, de leus: vrijheid van opvoeding, geen ijdele phrase is, dan zouden zij, indien zij in staat waren aan Nederland een schoolstelsel te geven, geheel in hun geest, toch nooit kunnen of willen verhinderen, noch dat van overheidswege geld werd verstrekt voor scholen, die zij verderfelijk achten, noch dat bij invoering van leerplicht ook meerdere leerlingen werden gezonden naar niet-kerkelijke scholen.

Slechts dan — het mag hier nog wel eens worden herhaald — zouden zij gegronde reden hebben tot klagen, indien bij deze wet werd beproefd leerlingen aan de bijzondere school te onttrekken door hen op de banken der openbare school te doen plaats nemen. Maar van deze wet zullen openbaar en bijzonder onderwijs gelijkelijk profiteeren. Niet alleen het geld, aan het openbaar, maar ook het geld aan het bijzonder onderwijs ten koste gelegd, zal meer vruchtdragend worden, terwijl, zooals in een volgende paragraaf zal worden aangetoond, ook het bezwaar der kostenquaestie zeer overdreven is voorgesteld.

Maar geheel afgescheiden van de schoolwetquaestie en de verhouding tusschen het openbaar en bijzonder onderwijs, die door deze wet geen verandering zal ondergaan, worden ook in deze paragraaf evenals in de vorige weder scherpe aanvallen gericht tegen de openbare school. Aan hetgeen daarover reeds op blz. n van deze Memorie is opgemerkt, heeft ondergeteekende weinig toe te voegen. Al wordt eene beschuldiging in een en hetzelfde Verslag ook telkens herhaald, daardoor wordt ze niet krachtiger of gegronder. Men komt telkens aandragen met vage algemeenheden, maar niet met bewijzen. Waar is bijv. het bewijs dat de mannen, die op de openbare school zijn opgeleid, zedelijk lager staan dan de anderen die een bijzondere school hebben bezocht ? Zeer kras is de uitspraak dat „de vlag (van art. 33) alleen geheschen werd om door de blokkade te komen". Met andere woorden: het voorschrift betreffende de opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden zou alleen als voorwendsel worden gebruikt, om aan de openbare school nog een godsdienstig tintje te geven. Tegen die beschuldigng moet ondergeteekende ten ernstigste protesteeren. Zoolang men in gebreke blijft dergelijke beschuldiging op goede gronden te motiveeren, heeft hij het recht haar te qualificeeren ;vls eene geheel ongerechtvaardigde verdachtmaking eener grondwettige instelling. Indien zij werkelijk juist ware, dan zou de Regeering van 1889 zeker niet in gebreke zijn gebleven die vlag neer te halen. O, een politieke overweging had haar mogen weerhouden om aan zoo onheilig spel — indien dat werkelijk bestond — een einde te maken. Dat zij dat niet heeft gedaan en aan art. 33 niet heeft geraakt, mag als bewijs worden aangehaald, dat althans in die dagen ook nog door voorstanders van het bijzonder onderwijs aan het daar gegeven voorschrift waarde werd gehecht. En volkomen te recht. Het wijst openbare onderwijzers op hun plicht als opvoeders der jeugd, een plicht dien zij niet kunnen verzuimen zonder niet alleen met hun roeping maar ook met de wet in botsing te komen.

Evenals in § 1 wordt ook hier aan de philippica tegen de openbare school in het algemeen een aanval tegen de openbare onderwijzers in het bijzonder toegevoegd. Wel wordt weinig nieuws aangevoerd, maar onder-

Sluiten