Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Betwist wordt in de eerste plaats, dat de Staat zelfs financieel belang heeft bij invoering van leerplicht, ontkend ook, dat de kosten van armenbedeeling en gevangenissen verband houden met de volksontwikkeling.

„Het staat toch wel vast" — zoo wordt gezegd — „dat armoede, gebrekkige opvoeding, en slechte omgeving van veel meer invloed zijn op de criminaliteit dan gebrek aan kennis."

Volkomen waar. maar dit is ook in de Memorie van Toelichting volmondig erkend. Gemis van kennis is één factor, werd daar beweerd, maar, — zoo werd er bijgevoegd — niet de voornaamste factor. Welk recht heeft men dan het te doen voorkomen, alsof ondergeteekende zou hebben ontkend, dit andere factoren op de criminaliteit nog meer invloed uitoefenen? Ligt echter in de uitdrukking „veel meer invloed" niet de rechtvaardiging van de stelling, dat ook deze factor niet over het hoofd mag worden gezien ?

Kr is meer. Waar men erkent dal o. a. „gebrekkige opvoeding" van grooten invloed is op de criminaliteit en aan onderwijs als middel om kennis op te doen veel minder waarde wordt gehecht, stelt men ten onrechte opvoeding en onderwijs tegen elkander over en doet men het voorkomen, alsof het onderwijs niets meer kan geven dan eenige kennis. Reeds hierboven is tegen die opvatting protest aangeteekend. Onderwijs is aan vulling der opvoeding. Waar de school, zoo werd reeds in de Memorie van Toelichting gezegd, geen opvoedend karakter heeft, toont de onderwijzer niet voor zijn taak berekend te zijn.

In diezelfde Memorie werd er ook op gewezen, «lat 20 percent van de veroordeelden noch iezen noch schrijven kunnen. Hoe kunt gij, werd gevraagd, u op dat cijfer beroepen, want daaruit zou dan immers blijken dat 80 pet., dus een veel grooter procent, van de veroordeelden, wèl lezen en schrijven kunnen, wèl onderwijs hebben genoten ? Het antwoord moet natuurlijk luiden, dat die 80 pet. alleen dan 's Ministers stelling zouden omverwerpen, indien ook in de gewone maatschappij het aantal van hen, die wel en die niet kunnen lezen of schrijven tot elkaar stond als 80 :20. Maar dat is het geval niet; het percentage van burgers, die tot de analphabeten behooren bedraagt niet 20 maar pet. En nu mag wel is waar niet uit het oog worden verloren, dat analphabeten bijna uitsluitend worden aangetroffen onder 011- en minvermogenden en dat van laatstgenoemden een veel gr toter percentage tot straf wordt veroordeeld dan van de meergegoeden, maar ook al neemt men dat in aanmerking, dan blijft toch de verhouding ongunstig voor hen, wien het in hun jeugd aan onderwijs heeft ontbroken, want ook onder de lagere klassen is het percentage van analphabeten veel kleiner dan 20 pet.

Voorstanders van leerplicht hebben trouwens de cijfers, door ondergeteekende gegeven, nog aangevuld. Waar van de kinderen tusschen 10 en 16 jaar, die in de laatste jaren in de gevangenissen zijn opgenomen, ruim 30 pet. geen enderwijs hebben genoten, daar kan zeker de invloed van gemis van onderwijs op de criminaliteit bezwaarlijk worden ontkend. En als de statistiek ons 'eert, dat een zoo aanzienlijk percentage van de kinderen, die geen onderwijs genieten, later in de gevangenis terechtkomen, is dat dan niet een zwaarwegend argument voor de invoering van leerplicht ?

„Het kunstmatig omvoeren van intellectueele ontwikkeling" -— werd verder door tegenstanders aangevoerd — „kan leiden tot een geleerd

Sluiten