Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proletariaat, dat voor tien Staat minstens even gevaarlijk is als het omgekeerde.''

Een geleerd proletariaat! — Wat bedoelt men daarmede ? Bedoelt men daarmede, dat het verkeerd is de burgers, wier bestemming het is in de lagere kringen te veiolijven, op te proppen met allerlei halve geleerdheid, die hen niet verder brengt en hen ontevreden maakt met den stand waarin zij leven, dan is de opmerking juist, maar dan heeft zij met invoering van leerplicht niets te maken. Bedoelt men er echter mede dat kinderen uit de lagere klassen geen behoefte hebben aan de kennis, die men op de gewone lagere school opdoet en dat het maar beter is hen in volslagen onwetendheid te laten voortleven, dan moet tegen die stelling ten krachtigste protest worden aangeteekend. Ondergeteekende kan slechts herhalen wat hij reeds in de Memorie van Toelichting heeft gezegd: „Wat ons volk in de naaste toekomst zal presteeren, hangt voor een groot deel af van hetgeen het opkomend geslacht zal zijn. Waar zijn de mannen, wien het gelukt in de maatschappij eene goede positie in te nemen zonder in de jeugd althans lager onderwijs te hebben genoten ? Zij zijn er, maar zij zijn toch schaars te vinden."

Met andere wooiden: in den moeilijken strijd om het bestaan kan men de elementaire kennis, die de lagere school geeft niet missen. En indien dit waar is, dan kan ook bezwaarlijk worden betwist, dat algemeen en voldoend onderwijs op den duur de armenbedeeling zal verminderen, a! kan die vermindering ook onmogelijk in cijfers worden aangegeven. Wie kent ze niet uit eigen ervaring, de mannen en de vrouwen, die ten laste van de gemeentelijke of van de particuliere liefdadigheid zijn gekomen, omdat zij niet voldoende ontwikkeld waren, omdat zij, schier van alle kennis verstoken, verdrongen werden door anderen, die onder meer gunstige omstandigheden waren opgevoed en onderwezen?

Daarmede is niet gezegd, dat het wapen, hetwelk het lager onderwijs kan verstrekken, voldoende is. Een werkmansjongen, die wel trouw ter school heeft gegaan, maar niet of zeer gebrekkig een ambacht leert, loopt toch nog groot gevaar (nder te gaan, maar wie hebben de grootste kans later ook voldoende vakkennis op te doen; — aan wie valt het het gemakkelijkst zich in eanig vak te bekwamen ? Zeker niet aan analphabeten en verwaarloosde kinderen.

Eveneens wordt toegegeven, dat ook in den strijd om het bestaan de zedelijke factoren van nog meer beteekenis zijn dan de intelleetueele. Maar hier moge dan ook de opmerking hare plaats vinden, dat ongeregeld schoolbezoek èn op de kinderen èn op het huisgezin demoraliseerend werkt, en daarentegen trouw schoolbezoek juist werkt in tegenovergestelden zin. Ook aan de voorstanders van het wetsontwerp is dat bij het afdeelingsonderzoek niet ontgaan. „Verbetering van de orde op de school zal gunstig werken op de orde in het huisgezin. Zwakke ouders, die hunne kinderen gaarne naar school zouden willen zenden doch niet opgewassen zijn tegen een minder goede omgeving, zullen in de wet een heilzamen steun vinden. Het uit de wet voortvloeiende besef, dat geregeld schoolbezoek de vervulling van een maatschappelijken plicht is, zal den gemeenschapszin verhoogen en de baldadigheid doen verminderen . i

Men schatte deze voordeelen niet gering. Meer orde in school en gezin, minder baldadigheid en versterking van den gemeenschapszin, zijn

i Bladz. 14, v. v. •

Sluiten