Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat geen heerlijke vruchten waarvan kracht uitgaat ook voor de gemeenschap ? Toch gaan sommige leden zoover van te beweren dat goed onderwijs van veel, leerplicht daarentegen van weinig belang is. Daartegenover meent ondergeteekende ue stelling te mogen volhouden, dat schoolverzuim „de nog altoos bedenkelijke kanker van ons schoolwezen" is — het zijn de woorden van een onderwijzer eener Christelijke school — die de Staat niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht is met alle kracht te bestrijden.

Zonder overdrijving kan zelfs worden beweerd, dat het hier geldt een plicht van zelfbehoud. Het vraagstuk van den leerplicht is niet in de eerste plaats een theoretisch maar een practisch vraagstuk, en daarom is het zeer verklaarbaar dat velen, ofschoon in beginsel van leerplicht afkeerig, zich toch in de practijk bij de voorstanders aansluiten. „De Staat is eene door God gewilde instelling, welke de welvaart der onderhoorigen bevorderen en in het bijzonder voor de zwakkeren den maatschappelijken strijd om het bestaan vergemakkelijken moet. Aan deze zijne bestemming kan echter de Staat in de tegenwoordige omstandigheden geenszins beantwoorden, wanneer de massa des volks elementaire ontwikkeling mist. Wijl nu de Staat die middelen gebruiken kan en moet, welke tot bereiking van zijn doel noodig zijn, zoo volgt daaruit tevens, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden den leerplicht invoeren mag, ja moet."

bovenstaande zinsneden zijn ontleend niet aan een geschrift van een tegenstander, maar van een warm voorstander van kerkelijk onderwijs — van een man, die de rechten der ouders hoog houdt, maar niet uit het oog verliest, dat daar tegenover plichten staan — plichten tegenover de kinderen en plichten tegenover de gemeenschap, waaraan zij zich niet mogen onttrekken. Ze zijn nl. ontleend aan het in 1897 verschenen laatste deel van het „Katholieke Staatslexicon", bewerkt onder toezicht van Julius Bachem, centrum-afgevaardigde in den Duitschen Rijksdag

De geleerde schrijver had er bij kunnen voegen, dat nog uit een ander oogpunt de plicht van den Staat onbetwistbaar is. Welke zijn de voorwaarden, waaronder het aan een volk mogelijk wordt ook op industrieel gebied bij voortduring een eervolle plaats te blijven innemen ? Als zoodanig mogen zeker worden genoemd : i°. dat alle sluimerende intellectueele krachten zooveel mogelijk tot ontwikkeling komen ; 2°. dat goed en degelijk onderwijs onder alle kringen der bevolking algemeen wordt verspreid en in de jeugd de grondslag wordt gelegd, waarop later kan worden voortgebouwd. Alles wat dus strekken kan om die voorwaarden aanwezig te doen zijn vermeerdert de welvaart, versterkt de kracht der natie — en het is wel degelijk de roeping van den Staat ook daartoe naar vermogen mee te werken.

Op zich zelf wordt dat niet tegengesproken, maar wel wordt door vele leden ontkend, dat leerplicht het geschikte middel zou zijn, om dat te bevorderen.

Wat de ontwikkeling van alle in het volk aanwezige intellectueele krachten betreft, zoo wordt gezegd, dat er in onzen tijd werkelijk geen vrees behoeft te bestaan, dat iemand, in wien buitengewone gaven schuilen, die niet tot ontwikkeling zal weten te brengen en dat het in elk geval geheel onnoodig is, om de geheele bevolking onder het juk van den schooldwang te brengen alleen om aan enkelen de gelegenheid tot uitblinken te geven.

Met de laatste opmerking is ondergeteekende het geheel eens Wie zal er aan denken leerplicht te willen, invoeren alleen om aan enkelen

Sluiten