Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezitten, dat zij zich eenigermate op de hoogte kunnen stellen van de aanhangige groote quaesties van Staatsbeleid.

Aan het slot van § 3 wordt medegedeeld, dat enkele leden, schoon in beginsel voor invoering van leerplicht gestemd, desniettemin de mee ning waren toegedaan, dat de verplichting tot het zenden van kinderen naar de school voor behoeftige ouders ernstige bezwaren heeft. Ondergeteekende zal dit niet geheel tegenspreken. Voor ouders, die slechts met groote moeite in het onderhoud van hun huisgezin kunnen voorzien, is zeker de verleiding groot om hunne kinderen te werk te stellen en eenige stuivers te laten verdienen in plaats van hen naar school te zenden. Toch zijn er nu reeds duizenden die, hoe behoeftig ook, het belang van hunne kinderen het hoogst stellen en zich deze opoffering getroosten. En ondergeteekende is vast overtuigd, dat een onderzoek, gesteld dat het uitvoerbaar ware, aan het licht zou brengen, dat door het geregeld schoolgaan der kinderen als regel de armoede niet grooter wordt, veeleer het tegendeel. Ook hier geldt het bekende woord van Bastiat : wat men ziet en wat men niet ziet. Men ziet de weinige stuivers, die de kinderen door bedelen of werken kunnen aanbrengen, maar men ziet niet de indirecte schade, die er tegenover staat. Waar de kinderen, zij het dan ook ten gevolge van sociale levensomstandigheden, worden verwaarloosd of geëxploiteerd, daar tieren naast armoede welig wanorde, slordigheid en onverschilligheid, als zoovele bronnen van nog grooteren achteruitgang. Bovendien wordt in dergelijke gezinnen de toekomst aan het heden opgeofferd. Waar men de kinderen van onderwijs verstoken laat, daar is weinig uitzicht op verbetering van positie, ook als jongens en meisjes de school ontwassen zijn. Getroosten daarentegen de ouders zich de opoffering, in vele gevallen uit het schoolgaan voortvloeiende, dan is er veel meer uitzicht niet alleen dat de kinderen een betere toekomst zullen te gemoet gaan maar ook, dat de ouders zeiven voor hunne opoffering zullen beloond worden. Ook is geenszins de mogelijkheid uitgesloten, ja zelfs de waarschijnlijkheid groot, dat bij invoering van leerplicht, waardoor kinderarbeid voor een groot deel van den dag wordt verhinderd, de loonen der volwassenen zullen stijgen.

Om dit laatste doel — stijging der loonen — beter te bereiken, werd door sommige leden aangedrongen, om den leerplicht vergezeld te doen gaan van een verbod tegen het verrichten van veldarbeid door kinderen. Zonder te willen beweren, dat eene regeling van den veldarbeid van kinderen niet wenschelijk zou zijn, kan ondergeteekende echter niet toestemmen, dat het één een noodzakelijk uitvloeisel zou moeten zijn van het andere. Door invoering van leerplicht wordt veldarbeid van kinderen reeds aanmerkelijk beperkt, en 1111 is het wel waar, dat bij geheel verbod van dien arbeid de volwassenen van concurrentie van de jeugd in het geheel geen last meer zouden hebben, maar daar staat tegenover dat tot tijd en wijle dat door de volwassenen de verwachte loonsverhooging zou zijn ingetreden, het bezwaar voor de behoeftige ouders, waarop in deze paragraaf wordt gewezen, nog grooter zou zijn.

Daar komt bij, dat naar de meening van ondergeteekende de veldarbeid van kinderen, althans in den druksten tijd van het jaar, niet geheel kan worden gemist. Van die overtuiging is uitvloeisel art. 10 (nieuw art. 13) van het ontwerp, waardoor de mogelijkheid wordt geopend om kinderen

Sluiten