Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoolverzuim alleen kinderen geplaatst worden, van wie het zeker is of althans met groote zekerheid vermoed kan worden, dat zij nooit onderwijs zullen genieten of nooit onderwijs genoten hebben, dan zouden zeer zeker de bovengenoemde 11536 kinderen van dien staat geschrapt moeten worden, maar men gaat daarbij uit van een geheel verkeerde premisse, en geeft aan de statistiek een beteekenis, die ze niet heeft en niet kan hebben.

Het blijft dus een feit, dat er op 1 Januari 1897 59720 kinderen waren, die op den leeftijd, waarop zij zonder wettige verhindering school dienden te gaan, niet school gingen en zelfs niet ingeschreven waren.

Toegegeven nu dat vele duizenden van die kinderen, zoolang de redenen waarom zij thuis blijven niet ophouden te bestaan, toch in geen geval school zullen gaan, toegegeven ook dat vele anderen, zoodra de omstandigheden gunstiger worden, ook zonder eenigen wettelijken maatregel weer ingeschreven worden, zoo blijtt toch ondergeteekende van meening. dat het cijfer van 59000 veel kleiner zal worden onder de werking van den leerplicht. In alle gevallen toch dat de reden, waarom de kinderen niet bij de schoolbevolking van Nederland zijn ingelijfd, gelegen is in slordig heid, onverschilligheid, voorgewende armoede, onkunde, gemis van plicht gevoel, baatzucht zelfs, mag men verwachten dat leerplicht wel degelijk een heilzamen invloed zal uitoefenen. Daar waar de statistiek aantoont, dat een niet gering aantal kinderen van onderwijs verstoken blijven, omdat zij reeds op zeer jeugdigen leeftijd voor huis- en veldarbeid worden gebruikt en nog veel meer kinderen reeds vóór hun 12de jaar van school worden genomen, omdat zij bevel krijgen te gaan werken voor de kost, daar bestaat er niet alleen kans, maar daar bestaat bijna zekerheid, dat dit kwaad door invoering van leerplicht tot een minimum zal worden teruggebracht.

Hoeveel dat cijfer zal verminderen is natuurlijk niet met eenige zekerheid aan te geven. Ondergeteekende heeft het globaal geraamd op 15.000 en heeft nog geen aanleiding te gelooven, dat dit cijfer te hoog is genomen. En kan Jen nu volhouden, dat dergelijke vermindering, ook al bleek ze straks met de werkelijkheid overeen te stemmen, zoo onbetekenend zou zijn dat op dien grond invoering van leerplicht zeer zeker niet gerechtvaardigd zou wezen?

Het wil ondergeteekende voorkomen, dat alleen zij, die niet slechts het ongeregeld schoolgaan, maar zelfs het zonder redelijk motief in het geheel niet schoolgaan van kinderen, een zeer onbeduidende zaak, hoogstens een zeer onbeduidend verzuim van de ouders vinden, waarmede de Staat zich niet heeft te bemoeien, op die vraag een bevestigend antwoord kunnen geven. Zij, die daarentegen met ondergeteekende van oordeel zijn, dat in den bestaanden maatschappelijken toestand het genieten van lager onderwijs gedurende minstens zes jaren in het belang van de kinderen en ook in het belang van den Staat dringend noodzakelijk moet worden geacht, zullen zeker niet betwisten, dat de resultaten van leerplicht reeds niet gering kunnen worden geacht, indien daardoor wordt bereikt, dat althans enkele (luizende kinderen, die nu op straat rondzwerven ot van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te werk worden gesteld, aan de hoede van een onderwijzer worden toevertrouwd en nog meerdere duizenden niet meer zooals vroeger van school worden weggenomen op een leeftijd, dat zij voor hunne ontwikkeling onderwijs nog zoo hoog noodig hebben.

Sluiten