Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeinsd voor de kosten om het onderwijs meer algemeen te maken. In 1876 bedroegen de gezamenlijke kosten van het lager onderwijs in Oostenrijk 9.000.000 florijn, in 1896 45.000.000 florijn.

„V an veel meer beteekenis dan het absolute is het relatieve schoolverzuim. Al ware het volstrekte schoolverzuim nog veel geringer dan het werkelijk is, zoo zou toch leerplicht noodzakelijk zijn tot het tegengaan van ongeregeld schoolbezoek".

Ook deze woorden van de Memorie van Toelichting vonden bij vele leden bestrijding, die beweerden dat de Minister 111 gebreke was gebleven zijne uitspraak met afdoende cijfers te staven.

Vooreerst werd geklaagd dat geen statistiek van het schoolverzuim over het geheele land bestaat. Daartegen werd reeds door anderen opge merkt, dat een algemeene statistiek niet zou zijn te geven, omdat op vele van de scholen geen aanteekeningen betreffende het geregeld schoolbezoek en de oorzaken van tijdelijke afwezigheid gehouden worden. Moest als regel worden gesteld : geen leerplicht zonder een volledige statistiek van het relatieve schoolverzuim in alle gemeenten des lands, dan zou men nog nergens tot deze hervorming hebben besloten en dan zou ook in ons land deze hervorming nog lang op zich moeten laten wachten. Maar ondergeteekende kan niet inzien, dat het noodig zou zijn over het geheele land statistieken te verzamelen. Waar, zooals uit de schoolverslagen blijkt, de ambtenaren van het schooltoezicht jaar op jaar klagen over het schoolverzuim als een kanker, die aan het volksonderwijs knaagt, waar de onderwijzers, in vergaderingen vereenigd, bijna eenstemmig zich bij die klacht aansluiten en voor een groot deel leerplicht als het eenige redmiddel beschouwen, waar nog een speciaal onderzoek is ingesteld in zeer uiteenlooiende arrondissementen in verschillende streken van het land en de uitkomst geleerd heeft dat het schoolverzuim wel niet overal even erg maar toch overal betreurenswaardig groot is, daar mag het overbodig worden geacht het onderzoek nog verder uit te strekken en van alle lagere scholen in Nederland stuk voor stuk 11a te gaan hoe groot er het schoolverzuim is. Dat er ondanks het ongeregelde schoolbezoek verschil is over de wenschelijkheid van invoering van leerplicht kan niet verbazen, omdat dit sinds jaren bekend was, maar dat men van de zijde der tegenstanders niet alleen het absolute, maar ook het relatieve schoolverzuim nog als onbeteekenend zou voorstellen, had ondergeteekende niet verwacht. „Ieder"' — het zijn de woorden van het Verslag — „kan zich in zijne omgeving van het feit gemakkelijk overtuigen. Vooral in den zomer laat het geregeld schoolbe zoek zeer veel te wenschen over, vooral ten plattelande." Omtrent dit punt nieuwe opgaven te verkrijgen, achtten dan ook deze leden onnoodig.

De leden echter, die wel meerdere statistieken verlangden, beweerden, dat zelfs de opgaven betrekkelijk de drie arrondissementen, waar een speciaal onderzoek door de Regeering is ingesteld, geen voldoend licht verspreidden over den toestand in de arrondissementen waarop zij betrekking hebben. De cijfers, zoo werd gezegd, zijn onvoldoende, omdat er alleen gemiddelden worden opgegeven. „Het kan wezen, dat er in deze arrondissementen enkele scholen zijn, waar het relatieve schoolverzuim zeer groot is. Dit zou natuurlijk op het gemiddelde cijfer een grooten invloed hebben. Voor een juiste statistiek is het noodig gegevens te geven voor elke school in het bijzonder."

Ondergeteekende kan de juistheid van die grief niet toegeven. Indien

Sluiten