Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenig optimisme noodig om met dergelijke cijfers voor oogen den toestand niet onbevredigend te noemen. De leden, die hier aan het woord zijn, redeneeren echter aldus: van de 3300 kinderen zullen wel 1000 gebezigd worden voor den veldarbeid, en rekent men, dat die kinderen — wat volgens het wetsontwerp geoorloofd zal zijn — zes weken van schoolbezoek worden vrijgesteld en verder gebruik maken van art. 2, 2de lid, (bevoegdheid om eens per maand ol' tweemalen in twee maanden weg te blijven zonder wettige reden), dan maakt dit 1000 x + jo of 70.000 schooltijden. Neemt men verder aan, dat de overige 2300 kinderen gemiddeld 10 schooltijden in het jaar zonder wettige reden verzuimen — hetgeen volgens het wetsontwerp ook geoorloofd zal zijn — dan komt men (70.000 + 23.000) tot een totaal van 93.000 schooltijden. Trekt men nu van de 170.776 de 93.000 af, dan blijven er slechts 77.000 verzuimde schooltijden over, en die mogen wel voor het grootste deel gesteld worden op rekening van ziekte en andere wettige redenen.

Reeds werd hiertegen door andere leden opgemerkt, dat deze geheele berekening niet rust op feitelijke gegevens, maar op loutere veronderstellingen. En op welke veronderstellingen ? De eene is al even weinig aannemelijk als de andere. Maar gesteld al eens het bijna onmogelijke geval, dat onder de werking van de wet op den leerplicht het aantal verzuimde schooltijden nagenoeg even groot bleef, omdat ook allen, die nu niet verzuimen, dan zoo dikwijls zouden wegblijven als de wet maar eenigszins toeliet, dan zou toch reeds een aanmerkelijke verbetering zijn aangebracht ; want dan zouden wel allen een kleiner aantal uren onderwij s ontvangen dan gewenscht mag worden geacht, maar niet in die mate, dat daardoor de school niet aan haar roeping zou kunnen beantwoorden.

Juist is echter de opmerking, voorkomende bovenaan op blz. 18 van het Verslag, dat uit de door de Regeering meegedeelde cijfers niet is te zien hoe groot bijv. het verzuim wegens veldarbeid is in de verschillende maande 11 van het jaar. Ook zonder nadere opgaven kan men echter gerust aannemen, dat verzuim wegens veldarbeid in den winter weinig voorkomt en in de zomermaanden verreweg het grootst is. Zoo schreef het hoofd van de school te Groesbeek aan zijn schoolopziener: „I11 lanuari (1897) waren ingeschreven 298 kinderen, waarvan er 's zomers slechts 150 waren, de overigen waren op het veld of in het bosch ; vandaar schoolverzuim over Mei—October 48 pet., terwijl nog 16^ pet. verzuimd werd door de kinderen die des zomers de school bezoeken: ook waren er plm. 250 kinderen tusschen 6—12 jaren die de school niet bezochten".

Hier en daar schijnt het zelfs de gewoonte om de kinderen in den zomer maar eenvoudig als leerlingen te laten afschrijven. Het hoofd der school te Dalem schreef in Mei 1898 aan den districtsschoolopziener:

„Mijn school bestaat uit vier klassen, waarvan er twee door de onderwijzers en twee door mij worden onderwezen.

De iste klasse = het iste leerjaar;

De 2de „ = „ 2de

De 3de „ = ,, 3de ,, + de achterlijke kinderen van het 4dc leerjaar;

De 4de klasse = het 5de leerjaar + de vlugste kinderen van het 4de leerjaar.

„Door het vroeg verlaten der school is het 6de leerjaar geheel verdwenen.

Sluiten