Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht. Zou het zoo onmogelijk zijn dat de heer van Renesse, die, toen hij zijn verdienstelijk boek schreef, slechts onvolledige opgaven van 1862 tot 1877 te zijner beschikking had, thans, indien hij de cijfers van latere jaren in studie nam, tot een geheel andere conclusie zou komen? Is het dan niet een feit, dat menigeen, die in 1877 de noodzakelijkheid van leerplicht nog niet inzag, door de praktijk tot een warm voorstander van deze hervorming is bekeerd ?

Aan het slot van deze paragraaf worden nog twee opmerkingen gemaakt. Er waren leden, die geneigd waren de vraag of de wettelijke bepalingen tot verbod van kinderarbeid leerplicht niet overbodig maken, bevestigend te beantwoorden, er althans den Minister een grief van maakten dat hij niet overtuigend had aangetoond dat dit niet het geval was. Ündergeteekende acht die grief geheel ongegrond. Dat verbod van kinderarbeid voor industrie en fabrieksnijverheid het schoolverzuim vooral in de steden heeft doen verminderen wordt door niemand ontkend. Het schoolverzuim is echter, zooals ook uit de staten blijkt, het ergst op het platteland, waar fabrieksnijverheid uitzondering is, en wettelijke bepalingen tot verbod van kinderarbeid op het veld bestaan niet. \Vel hebben sommige gemeentebesturen gebruik gemaakt van art. 82 der onderwijswet om bij verordening den kinderarbeid op het veld te verbieden, maar het is bekend, dat die verordeningen in den regel niet worden uitgevoerd. Het bovengenoemde voorbeeld van Winssen staat geenszins op zich zelf. Het geheel onvoldoende van dergelijke bepalingen blijkt ook uit hetgeen daaromtrent in verschillende jaarverslagen betreffende het onderwijs wordt meegedeeld. De in de Memorie van Toelichting meegedeelde verklaringen mogen anterieur zijn aan de herziene arbeidswet, ze zijn wel degelijk gebaseerd op de ervaring, met gemeentelijke verordeningen op arbeidsregeling betrekkelijk opgedaan. Dat ondergeteekende recht heeft tot de bewering, dat bedoelde verordeningen bijna nergens worden uitgevoerd, kan ten overvloede blijken uit bijlage III dezer Memorie.

De tweede opmerking heeft betrekking op het gemis aan plaats voor kinderen, die men de openbare school wil laten bezoeken. Dat in sommige gemeenten nog steeds niet voor voldoende schoolruimte wordt gezorgd is een niet te weerspreken feit. Men mag echter, zooals reeds door andere leden is opgemerkt, met grond verwachten, dat leerplicht ook in dit opzicht verbetering zal aanbrengen. Intusschen mag niet worden vergeten, dat het voor de gemeentebesturen in de grootste gemeenten des lands, waar de bevolking vooral door toevloed van buiten zeer snel toeneemt, een niet gemakkelijke taak is voor de velen die zich aanmelden altijd terstond plaats beschikbaar te hebbenvooral daar niet elk jaar op een geleidelijke toeneming van bevolking te rekenen valt.

Ten slotte moet ondergeteekende verklaren, dat hij tot zijn leedwezen niet in de mogelijkheid is van meer landen, dan reeds hierboven is geschied, statistieken omtrent het relatieve schoolverzuim aan de Kamer over te leggen, om de eenvoudige reden dat ze, voor zoover hij heeft kunnen nagaan, niet bestaan. Dat trouwens dergelijke statistieken noodig zouden zijn tot beoordeeling van dit wetsontwerp kan hij geenszins toegeven. Ook zonder dat dit voor elk land in het bij-

Sluiten