is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerplichtwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder met cijfers is aan te geven, zijn alle deskundigen, die over dit onderwerp hebben geschreven, het hierover eens dat daar waar de leerplichtwet goed wordt uitgevoerd het relatieve schoolverzuim tot een minimum is teruggebracht. Als voorbeeld kan worden gewezen op Hamburg, Berlijn en sommige streken van Zwitserland. Ondergetcekende twijfelt er niet aan dat bij het tot stand komen van deze wet hetzelfde verschijnsel zich over eenigen tijd ook bij ons zal voordoen.

Wat betreft de kennis van lezen en schrijven van ingelijfden bij de militie kunnen nog de volgende cijfers worden meegedeeld. Van de 100 ingelijfden bij de land- en zeemacht konden in 1897 lezen noch schrijven in Nederland 4,0, in Duitschland (1894) 0,24, in Pruissen (4890) 0,78, in Saksen (1893) 0,01, in Hessen ( 1894) 0,06, in Wurtemburg ^1893) 0,04. In België bedroeg het cijfer in 1894 nog 14 procent.

$ 5. In deze paragraaf wordt door vele leden de invoering van leerplicht bestreden op grond van «de achterstelling van het bijzonder onderwijs bij het openbare». Op den voorgrond wordt gesteld dat door de herziening van de schoolwet in 1889 geene rechtsgelijkheid is verkregen en dat de toen aan het bijzonder onderwijs toegekende Rijksbedragen geheel onvoldoende zijn gebleken.

Ondergeteekende meent zich van beschouwingen over rechtsgelijkheid en wat daaronder wordt verstaan te mogen onthouden. Reeds het principieele verschil tusschen openbaar en bijzonder onderwijs sluit financieele rechtsgelijkheid uit. Openbaar onderwijs is onderwijs, van overheidswege gegeven maar ook van overheidswege bekostigd, - bijzonder onderwijs daarentegen is en blijft onderwijs, door het particulier initiatief tot stand gebracht en bekostigd, al wordt het ook door de overheid gesubsidieerd.

Een andere vraag is, of de subsidiën, welke thans worden gegeven, ruim genoeg zijn, dan wel, zooals in het verslag wordt beweerd, geheel onvoldoende zijn gebleken.

Al staat die vraag slechts zeer indirect met leerplicht in verband, ondergeteekende wil gaarne meedeelen hoe hij over deze quaestie en meer in het bijzonder over de verhouding tusschen openbaar en bijzonder onderwijs denkt, maar vooraf wenscht hij te antwoorden op het verwijt, dat aan de wetsvoorschriften, die het toekennen van subsidie aan zekere administratieve eischen binden en op zich zelf reeds streng zijn, strenger de hand wordt gehouden dan, naar men meende noodig is.

«Ten gevolge van het minste verzuim, — zoo wordt gezegd — het één dag te laat inkomen van een aanvrage of van eene voorgeschreven mededeeling, vervalt de geheele bijdrage.»

Dit is juist, maar terecht heeft in 1889 de toenmalige Minister van Binnenlandsche Zaken, van wien men niet kon verwachten dat hij voor het toekennen van subsidiën strengere bepalingen zou voorstellen dan met het oog op de controle van een goed administratief beheer noodig was, ingezien, dat een ordelijke administratie het noodig maakte de schoolbesturen aan bepaalde termijnen te binden. Aan het uitvoerend gezag de bevoegdheid te geven alsnog de uitkeering van subsidie te bevorderen, ook al worden die wettelijke termijnen niet in acht genomen, zou zeker niet zonder bedenking zijn, omdat het willekeur in de hand zou werken.

4