Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijzondere school geen subsidie meer zal kunnen krijgen zoodra er slechts één leerling meer of één onderwijzer minder is dan de wet veroorlooft. Dat zou alleen dan juist zijn, indien intusschen niet de wet Lohhax in het "Staatsblad» was verschenen een wet die is voorgedragen en verdedigd met de bedoeling om ook nog na 1898 rekening te houden met de onmogelijkheid, waarin soms een schoolbestuur verkeert om tijdig te zorgen dat een voldoend aantal onderwijzers in functie is.

«Zelfs kan - zoo leest men ten slotte — de toepassing van administratieve voorschriften die niets te maken hebben met art. 54bis. zooals bijv. het voorschrift van art. 51b, geheel buiten schuld der belanghebbenden leiden tot geheele of gedeeltelijke onthouding der bijdrage.»

Ook dit verwijt treft weer niet de opvolgende Ministers, die de wet hebben uitgevoerd. De wetgever heeft blijkbaar gewild, dat onderwijzers van bijzondere scholen, die niet in het bezit zijn van het bewijs van goed gedrag, ook voor de berekening van het subsidie geacht worden daar niet aanwezig te zijn. Dat dit verkeerd is gezien zou ondergeteekende niet durven beweren. Onderwijzers zijn, zoolang zij bedoeld bewijs niet hebben overgelegd en zij niet in het bezit zijn van het bewijs in art. 51c, niet bevoegd in de school onderwijs te geven, en zoolang zij niet bevoegd zijn, spreekt het eigenlijk van zelf, dat zij niet kunnen geacht worden bevoegd werkzaam te wezen.

Maar zooals het dikwijls met op zich zelf volkomen rationeele wetsbepalingen gaat, in de practijk kunnen zij toch bij groote uitzondering wel eens leiden tot onbillijkheid, omdat de wetgever onmogelijk alle gevallen, die zich zullen voordoen, kan voorzien. Zoo is het voorgekomen, dat een onderwijzer op een bijzondere school reeds eenige weken in functie was zonder dat hij nog het vereischte bewijs van art. 51c kon vertoonen, niet omdat het stuk bedoeld in art. 51b hem geweigerd was, of hij er niet tijdig werk van had gemaakt, maar omdat buiten zijn schuld het bewuste stuk niet tijdig was geregistreerd. Met de wet in de hand moest de subsidie worden geweigerd, maar dit neemt niet weg dat het hard was en dat ondergeteekende het betreurde in een dergelijk geval niet tot het verleenen van de volle rijksbijdrage te kunnen meewerken. Onder deze omstandigheden heeft hij vrijheid gevonden de zaak in den Ministerraad te brengen en voor te stellen aan het betrokken schoolbestuur een tegemoetkoming te verleenen uit hoofdstuk XI der Staatsbegrooting. Aldus is geschied.

Uit het voorgaande blijkt, naar de meening van ondergeteekende, zoo duidelijk mogelijk dat de verwijten, in deze paragraaf tot opvolgende Ministers gericht, ongegrond zijn, — dat in plaats van art. 54 bis strenger uit te voeren dan noodig is, integendeel het streven heeft voorgezeten de wetsbepalingen zoo mild mogelijk toe te passen, en dat zelfs waar in een speciaal geval de wet, die niet alles kan voorzien, noodzaakte hard te zijn, het uiterste redmiddel (voorziening uit hoofdstuk XI) wel eens is toegepast om de déb&cle van een bijzondere school te voorkomen. Toch wordt dat alles aangevoerd tot ondersteuning van het betoog, dat de positie der bijzondere school van dien aard is en zoozeer door het uitvoerend gezag wordt gedrukt, dat reeds om die reden niet tot invoering van leerplicht behoort te worden besloten.

Sluiten