Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van bijzondere waardeering getuigen evenmin de opmerkingen betreffende de bepalingen die de strekking hebben aan ernstige gemoedsbezwaren tegemoet te komen. In plaats van de naar zijne bescheiden meening zeer onbillijke critiek had ondergeteekende veeleer de erkenning verwacht, dat van de zijde der voorstanders van het bijzonder onderwijs het voornaamste bezwaar tegen de invoering van leerplicht was vervallen, nu de bepalingen van het wetsontwerp in dien geest zijn ontworpen, dat zij, die ernstig bezwaar hebben tegen een zekere school, vrij kunnen komen van de verplichting hunne kinderen daarheen te zenden, ook al zijn zij buiten de mogelijkheid die kinderen op een andere school onderwijs te doen genieten of hun huisonderwijs te verstrekken.

Ken voorstel om hen vrij te laten, zonder dat zij eenige formaliteit hebben te vervullen, was toch zeker bezwaarlijk van ondergeteekende te verwachten. Waar de staat leerplicht invoert, zou hij de wet vrij wel tot een doode letter maken, indien hij zijne vrijgevige bepalingen niet omkleedde met de noodige waarborgen, dat van het beroep op gemoedsbezwaar zoo weinig mogelijk misbruik zou kunnen worden gemaakt. Zoo weinig mogelijk — want ondergeteekende ontveinst zich volstrekt niet. dat ook bij ongewijzigde handhaving der voorgedragen bepalingen misbruik niet geheel zal zijn uitgesloten. Staande echter voor het dilemma om óf de wettelijke voorschriften meer inquisitoriaal te maken, óf de vrijheid zoo weinig mogelijk te belemmeren op gevaar af dat er vooral in den eersten tijd wel eens op ruimer schaal vrijstellingen zullen worden toegekend dan met de bedoeling der voorschriften is overeen te brengen, heeft hij aan het laatste de voorkeur gegeven, omdat hij het zijn plicht achtte de wet zóó in te richten, dat van heropening van den schoolstrijd geen sprake behoefde te zijn en dat ernstige gemoedsbezwaren volkomen tot hun recht konden komen.

\Velke zijn nu de bezwaren, die men aanvoert tegen de voorgeschreven formaliteiten ?

De verklaring van art. 8, (nieuw art. 10), 1ste lid, wordt barbaarsch en draconisch genoemd en beschouwd als een ergerlijke inmenging in het ouderlijk gezag. Bedoelde bepaling komt hierop neer, dat een vader, die geen huisonderwijs kan geven en ook in zijne omgeving geene school vindt, waaraan hij zijn kind wil toevertrouwen, om vrij te komen van zijne leerverplichting de verklaring moet afleggen, dat hij zijn kind liever van onderwijs verstoken wil laten dan het naar eene der bedoelde scholen te zenden. Wat daarin barbaarsch en draconisch gelegen is kan ondergeteekende met den besten wil niet inzien. Waarom — wordt terecht door andere leden gevraagd zou het bezwaarlijk zijn eene verklaring af te leggen welke slechts bevestigt, hetgeen men doet? Indien een vader de keus heeft tusschen verschillende scholen zal hij natuurlijk de school kiezen die hem het best voldoet, ook al heeft hij tegen de andere geen overwegend bezwaar. Is er echter in zijne omgeving slechts één school, waar hij zijn kind geplaatst kan krijgen en voldoet deze niet aan zijne wenschen, of wel, zijn er meer maar kan geen enkele hem bevredigen, dan wordt zijne positie geheel anders, dan wordt hij gedrongen zich zelf de vraag te stellen: Is mijn bezwaar zoo overwegend, dat ik er de voorkeur aan geef mijn kind van onderwijs verstoken te laten? En als hij dan na ernstige overweging tot een bevestigende beantwoording van die vraag komt, als zijn con-

Sluiten